Weerstand!

(webcolumn 2011-05)

Ik ontkom er niet aan. Als je webcolumns schrijft over kwaliteit van onderwijs, móet je het een keer hebben over opbrengstgericht onderwijs. Sinds de term ‘in de lucht is’, merk ik bij mezelf – en vele anderen uit het onderwijsveld – weerstand. En eigenlijk is dat vreemd. Dat ga ik toelichten vanuit mijn eigen situatie.

Ruim 5 jaar geleden richtte ik mijn bedrijf op en gaf het de naam 3D-L&O: doelbewust, doelgericht & doeltreffend leren en organiseren. Meer opbrengstgericht dan dat kun je niet zijn, lijkt me. En toch is er die weerstand. Met het idee dat, als ik daar een vinger achter kan krijgen, ik misschien ook zicht krijg op de weerstand van anderen, ben ik dat eens nader gaan bekijken. Dit heb ik gevonden en misschien herken je jezelf (of collega’s) erin.

De weerstand zit NIET in het willen behalen van opbrengst. Immers, als je geen opbrengsten wil, waarom moeten kinderen dan naar school? Wat is dan het nut van leerplicht? Eigenlijk zou opbrengstgericht onderwijs een open deur moeten zijn. Een pleonasme als de professionele leerkracht. Mijn weerstand bleek gericht op twee andere gebieden.

 I)  De enge gerichtheid op taal en rekenen. Eng in de zin van ‘smal’. Onderwijs aan leerlingen is meer dan taal en rekenen. Je wilt het kind als geheel vormen en stimuleren. Ten minste, zo kijk ik er tegenaan. De smalle gerichtheid op taal en rekenen vind ik daarmee ook echt een beetje eng (brrrr). Ik snap die aandacht voor taal en rekenen wel. Het zijn natuurlijk twee hele belangrijke vakken en scores zijn door middel van toetsen vrij eenvoudig inzichtelijk te maken. Maar toch…. er is meer in het leven…

II)  De meetbaarheid van opbrengst. Opbrengst impliceert een actie tussen een begin- en eindsituatie. Door te kijken naar de eindsituatie wil men bepalen wat de invloed is van die actie op de beginsituatie: de opbrengst. Dat is dus nogal complex. Hoe kun je vaststellen wie of wat de opbrengst heeft gegenereerd? Eenduidige antwoorden zijn moeilijk te geven. Zijn alle variabelen in beeld? Worden verbanden goed gelegd? Onderzoekstechnisch gaat het om validiteit en betrouwbaarheid: Meet je de goede dingen en meet je de dingen goed? Als je conclusies verbindt aan je meetgegevens, moet je heel zeker weten wie of wat verantwoordelijk is voor de opbrengst. Kun je aan de hand van de leerresultaten van leerlingen bijvoorbeeld iets zeggen over de toegevoegde waarde van de leerkracht? Dat is een discussie waard.

Kortom, ik ben er achter gekomen dat ik geen weerstand heb tegen opbrengstgericht werken op zich. In tegendeel zelfs. Mijn weerstand wordt met name gevoed door de grote onzekerheid van meetgegevens en de conclusies die ondanks dat toch gewoon getrokken worden. Herken je dat?

En hoe maken we dan van dit probleem een uitdaging ;-)?

Professionele leerkracht als pleonasme

(webcolumn 2011-04)

Ik was een keer op een conferentie en daar gaf iemand – ik weet helaas niet meer wie – het volgende voorbeeld: Je hebt een splinternieuwe auto. Zo eentje die je altijd al had willen hebben. Waarvan je niet verwacht had dat je hem ooit zou krijgen. Maar daar staat –ie op jouw oprit en jij bent toch echt de eigenaar van de sleutels. Op dat moment vraagt een goede vriend: “Joh, laat mij er even in rijden.” Oei, dat doet zeer. Maar het is een goede vriend en je geeft hem de sleutel. Na een  half uur komt hij terug. Wat is het eerste wat je doet?

Juist, je loopt een rondje en inspecteert quasi nonchalant, maar uiterst grondig of er geen krasje op zit. … En dat is alleen nog maar je auto.

Nu gaat het dus om ouders met hun kind, de eerste schooldag bij de klasdeur….En ze kennen de leerkracht nog niet eens echt. Wat de leerkracht doet, vormt het kind en is van invloed op de rest van zijn leven. En dat vertrouwen wordt gegeven. Door de ouders aan de leerkracht. Zomaar! Ze geven hun dierbaarste bezit aan de leerkracht, een vreemde, in de veronderstelling dat hun kind zich daar, bij de professional, beter ontwikkelt dan wanneer het thuis zou blijven.

Heb je je weleens gerealiseerd dat dat ook het idee is achter de leerplicht? Wij vinden het gewoon dat kinderen naar school móeten. Maar het feit dat het een plicht is, wil niet meer zeggen dan dat de toegevoegde waarde voor de ontwikkeling van een kind, op school hoger wordt geacht dan thuis. Of te wel: Een kind leert op school meer dan thuis en daarom is het belangrijk dat hij er op regelmatige basis is. Dat zegt dus nogal wat!

De verwachtingen zijn dus hoog gespannen. En dat móeten leerkrachten waarmaken. Het maakt daarbij niet uit of ze fulltime werken of één dag in de week. Voor iedere leerkracht geldt: Als je er bent, moet je er zijn. Daarmee bedoel ik dat de leerkracht – als professional – weet wat hij doet, waarom hij het doet en waar het past in het totaalplaatje dat de school biedt. Misschien niet iedere minuut, maar gedurende de dag moet een leerkracht zich dat wel bewust zijn. En dan gaat het dus niet alleen om de kernvakken. Ook de omgang met anderen, samenwerken, zelfstandigheid, zelfbewustheid…. Alles wat een kind ontwikkelt tot een cognitief en sociaal vaardig mens.

En dat mag de leerkracht dus doen!
Actief, bewust, mogelijk zelfs gepassioneerd, draagt de leerkracht gedurende de dag zorg voor de kinderen die hem zijn toevertrouwd……

De professionele leerkracht als pleonasme, een ideaalplaatje? Nee! Een minimumvereiste.

Gelukkig niet duur…

(webcolumn  2011-03)

Begin van de maand beschreef ik in mijn functiemix-tips het verschil tussen de functiemix en prestatiebeloning. Terwijl ik dat schreef ging ik me er steeds meer over opwinden. Ik ben namelijk een groot voorstander van de functiemix. Ik zie duidelijke duurzame mogelijkheden voor het verhogen van de onderwijskwaliteit door gerichte aandacht voor de diversiteit binnen het leraarsberoep. Dat is een hele zin, maar het betekent gewoon dat je met de functiemix het werken in het onderwijs beter en leuker kunt maken. En dat is waar iedereen naar streeft.

En dan wordt daar plotseling doorheen gefietst met prestatiebeloning! Hoe ondoorgrondelijk wil je het hebben?

De functiemix, daar ben ik dus een grote voorstander van. Ik vind het goed dat er inzichtelijk wordt gemaakt dat leerkrachten verschillende taken en verantwoordelijkheden hebben. Niet iedere leerkracht is hetzelfde. Niet iedere leerkracht kan hetzelfde. Niet iedere leerkracht wil hetzelfde. Daar moet je niet moeilijk over doen. In tegendeel, als je dat binnen je organisatie goed inzet, heb je daar veel profijt van. Waarom die juf ‘lastig vallen’ met managementtaken als ze haar hart volledig in de klas heeft liggen? Aan de andere kant, wat doe je met leerkrachten die meer willen, die overzicht hebben, willen bijdragen aan de organisatie als geheel, zich niet voldoende uitgedaagd voelen door alleen ‘het draaien van de klas’? Ook die kun je behouden door andersoortige functies te bieden. En, ja bij verschillende functieniveaus horen verschillende beloningen. Dat is vooraf inzichtelijk.

Prestatiebeloning, daarover ben ik verre van enthousiast. Op het eerste gezicht is het een mooi principe dat iemand die beter presteert, ook meer verdient. Maar….
– Hoe bepaal je of iemand beter presteert? Aan de hand van de CITO-resultaten van de klas? Dan willen we allemaal die slimmeriken uit groep 6. Of te wel, hoe bepaal je de werkelijk toegevoegde waarde, de leerwinst?
– Is goed presteren hetzelfde als goed je best doen? Of te wel, gaat het om het eindproduct of (ook) om het proces? En hoe wil je dat dan objectief beoordelen?
– Worden leerkrachten überhaupt gemotiveerd door een paar extra euro’s? Worden ze daar kwalitatief beter van? Zitten we te wachten op een afrekencultuur?
-…

Ik ben van mening dat beloningsdifferentiatie onmogelijk objectief kan worden uitgevoerd. En, verrassend genoeg is dat misschien ook helemaal niet zo’n probleem.  Je hebt het namelijk helemaal niet nodig! Waarom zou je iemand belonen als hij zijn werk goed heeft gedaan? Dat is toch de omgekeerde wereld?! Leerkrachten worden betaald voor de verantwoordelijkheden die zij toebedeeld  krijgen, het uitgangspunt is dat ze dat goed doen! Het is de taak van de manager om daarop aan te sturen en indien nodig bij te sturen. Immers, hoe kun je tevreden zijn met een leerkracht die zijn werk niet goed doet? “Nou, hij is in ieder geval niet duur.”

Voornemens

(webcolumn 2011-01)

Stel je voor: een gesprekje tussen ouder en leerkracht.
Ouder: “Ik merk dat mijn kind gepest wordt. Niet openlijk, maar zo’n beetje stiekem op het schoolplein.”
Leerkracht: “Ik ben voornemens daar iets aan te doen.”

Noodkreet van een leerkracht in de directeurskamer:
Leerkracht: “Ik trek het niet meer. Mijn klas lijkt alleen te bestaan uit dyslecten  en ADHD-ers. Aaarch…
Directeur: “Ik ben voornemens daar iets mee te doen.”

Het nieuwe jaar is al weer even op gang. Je wordt zo opgezogen door je dagelijkse werkzaamheden dat je bijna vergeten bent dat je recent kerstvakantie had. En hoe zit het met je goede voornemens? Had je die? Werk je daaraan? Of is dat in deze drie weken alweer vervaagd? Goede voornemens hebben vaak betrekking op de privésfeer. Of heb je ook werkgerelateerde voornemens, persoonlijk of misschien zelfs als team?

Zelf doe ik niet aan voornemens. “Ik ben voornemens dat te doen,” klinkt namelijk niet alsof het ook echt gaat gebeuren. Voor mij klinkt het alsof je zegt “Ik heb eraan gedacht en ik weet dat het eigenlijk belangrijk is, maar waarschijnlijk gaat het me niet lukken er werkelijk iets mee te doen.”

Niet echt daadkrachtig. De ouder uit het eerste voorbeeld en de leerkracht uit het tweede voorbeeld druipen teleurgesteld af of gaan volledig door het lint. Kortom: voornemens zetten geen zoden aan de dijk. Dat komt door het woord ‘eigenlijk’ in de bovenbeschreven interpretatie. ‘Eigenlijk belangrijk’ is net zo veel als ‘Blijkbaar belangrijk voor iemand anders, maar ik voel dat niet zo.’ Tja, en dan gaat het dus inderdaad niet lukken.

Even een opsomming van ‘eigenlijk belangrijke dingen’ die ik in de praktijk ben tegengekomen.

“Het is eigenlijk belangrijk dat we
– weten hoe ouders werkelijk over onze school denken;
– het binnen het team eens hebben over ‘wie we zijn’ en ‘wat we doen’;
– de uitstraling van onze school een beetje opfrissen;
– ons functiebouwwerk eens goed onder de loep nemen.”

“Ja, dat is eigenlijk wel belangrijk.” (Let ook op het woord ‘wel’.) Of vind je het wérkelijk belangrijk? Omdat je merkt dat het beter kan, omdat je leerlingenaantal terugloopt, omdat teamvergaderingen langzaamaan zijn verworden tot een verplichte zit zonder resultaat…..

‘Echt belangrijk’ heeft te maken met gevoel en behoefte aan actie. ‘Eigenlijk belangrijk’ duidt meer op algemene opinie, sociaal wenselijkheid gecombineerd met een vleugje desinteresse. Concreet zie je het terug in al die onderwerpen die vorig jaar al onaangeroerd op je takenlijst stonden en ook nu weer een plaatsje hebben gekregen op je opgeschoonde overzicht 2011. Check maar! Ze staan daar, je komt ze steeds weer tegen, maar toch pak je ze niet echt aan. Tijd om daar iets mee te doen! Breng in kaart wat het nut en de noodzaak is van deze taken. Waarom staan ze eigenlijk op je to-do-list? Zijn ze écht belangrijk? Waarom en voor wie? Als je dat in kaart hebt, kun je bepalen of je er mee aan het werk gaat of dat je het definitief naast je neer legt. Dat geeft ruimte voor zaken die er werkelijk toe doen.

Goed voornemen…

Webcolums

Elke 3e dinsdag van de maand schrijf ik een webcolumn over samenwerken, werkplekleren en/of professionaliseren in het onderwijs. Hoogste tijd om ze via dit medium te delen. Ook mijn functiemix-tips (elke 1e dinsdag van de maand gratis in je mailbox) zullen geplaatst worden op deze website.

Schrijf je in
voor de webcolumns: http://www.LERENenORGANISEREN.nl/gratis.htm
voor de functiemix-tips: http://www.functiemix-PO.nl/inschrijven.htm