Ouders overrulen de onderwijsinspectie

( webcolumn 2012/01 )

Het kan je niet ontgaan zijn. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft onderzocht of ‘we waar voor ons belastinggeld krijgen’. Belastinggeld is van ons allemaal, zo is de gedachte, en we willen graag weten of dat wel goed gebruikt wordt. De ‘return on investment’ (wat leveren de investeringen op) is bekeken voor 6 sectoren en het basisonderwijs kwam er inzichtelijk slecht vanaf. Waarom inzichtelijk slecht? Niet omdat de onderzoeksgegevens echt helderheid geven. Daarover straks meer. Nee, omdat het basisonderwijs bovenaan in een grafiekje stond en in de kranten als enige zo’n opvallend rood blokje aan de negatieve kant van de as had gekregen. (In het oorspronkelijke rapport trouwens gewoon objectief oranje overeenkomstig de andere sectoren.) Kort door de bocht: 3,8 % meer besteed, -0,3% winst. Logisch dat iedereen in rep en roer is. Want klopt dit wel?! Emotionele reacties genoeg,  maar dat zet geen zoden aan de dijk. Laten we, tegen de t ijdsgeest in, eens echt in het onderzoek duiken en de argumentatie bekijken.

‘Prijs en kwaliteit van publieke diensten’ is de ondertitel van het rapport. Over de prijs is weinig discussie. Die is gestegen, dat blijkt uit financiële cijfers en dat weet ook iedereen. Bij verantwoording daarvoor wordt onder andere gewezen op het bijtrekken van de onderwijssalarissen en de verkleining van de klassen. De kosten voor ‘het product’ staan dus wel vast. Maar wat is ‘het product’? Letterlijk staat op pagina 39 dat de productie van het basisonderwijs wordt gemeten via het aantal gewogen leerlingen.

Even voor de kritische lezer onder ons: Wordt ‘het aantal gewogen leerlingen’ genomen als uitgangspunt, of ‘het gewogen aantal’? Of is dat hetzelfde en waarom zou je dat dan noemen? Als je zo onzorgvuldig je basisgegevens verklaard, wat zegt dat dan voor de rest van het onderzoek en daaruit volgende conclusies?

De discussie die naar aanleiding van het rapport is ontstaan is eenvoudigweg terug te voeren naar een onderscheid tussen kwaliteit en kwantiteit. Het is namelijk opvallend dat het in de ondertitel gaat over kwaliteit, terwijl de gepubliceerde schema’s (en bijbehorende ophef) dus die afname in productie, de kwantiteit beschouwen. De prijs-kwaliteit verhouding van het onderwijs is het doel van het onderzoek. “Onderwijs is niet te vergelijken met het bedrijfsleven,” las ik in één van de vele reacties. Maar één overeenkomst tussen een school en een productiebedrijf is in ieder geval dat aantallen niets zeggen over de kwaliteit: meer is niet per definitie beter.

Wederom blijkt dat kwaliteit van onderwijs moeilijk meetbaar is. Ik heb er al vaker op gewezen en ook dit onderzoek maakt dat duidelijk. De onderzoekers zeggen het zelf. Ze sluiten er hun samenvatting mee af: ” Kwaliteit is een complex begrip dat zich niet altijd in harde cijfers laat vatten. Over de objectieve kwaliteit van veel publieke diensten zijn onvoldoende gegevens voor handen. Daarover ondervraagde gebruikers en andere burgers bespeuren in elk geval weinig of geen verbetering van de kwaliteit. Soms is die naar hun indruk gedaald. Maar hun impressies, hoe belangrijk ook, geven niet noodzakelijk een juist beeld van feitelijke ontwikkelingen.” (p.18)

Het niveau van leerlingen op de basisvakken, met welke letters je dat ook meet (CITO, JPON, PPON) is niet de enige indicator voor onderwijskwaliteit. Er was het idee dat de SCP de CITO-scores als kwaliteitsmeting hadden gebruikt. Op pagina 34 van het rapport wordt het gebruik van de CITO-gegevens echter expliciet tegengesproken. Dat die indruk wel gewekt is, is trouwens geheel te wijten aan de onderzoekers. De CITO-scores (niet representatieve toetsen, volgens de onderzoekers zelf) hebben zowel in de samenvatting als in de conclusie een opvallend prominente plek. Hierdoor waren niet ingewijden (lees: media) en haastige lezer (waaronder in eerste instantie ook ikzelf) snel op het verkeerde been gebracht. Dit gaf de nodige ophef. Immers, kwaliteit van onderwijs is zoveel meer dan een bundeling van deze contextgebonden momentopnames.

Hoe onderwijskwaliteit wel te meten is, daarover buigt de onderwijsinspectie zich al jaren. Ze hebben een standaard opgesteld en proberen hun kaders steeds meer te verbeteren door onder andere studiedagen en jaarwerkplannen. Vorig jaar gaf ik een lezing op een studiedag voor onderwijsinspecteurs en heb het toen van dichtbij meegemaakt. De cijfers die de onderwijsinspectie  regelmatig publiceert zijn trouwens positief. Volgens deze cijfers is er wel degelijk verbetering van onderwijskwaliteit. Dat ontkennen de SCP-onderzoekers ook niet. Maar dan doen ze iets raars.

Het meest opvallend en verrassend van het hele rapport is de waarde die aan de mening van ouders wordt toegekend. Hoe dieper ik in het rapport dook, hoe  meer opvallendheden ik tegen kwam. Bovenstaand heb ik er een paar met je gedeeld. Maar dit slaat alles: Doorslaggevend is, ondanks de opmerking over de beperkte bruikbaarheid zoals eerder geciteerd, de afnemende waardering van ouders voor het onderwijs. Alarmbellen, sirenes, vraagtekens: HOEZO?!

Met de opmerking “De oudertevredenheid neemt tussen 2002 en 2010 af” rechtvaardigen de onderzoekers de conclusie dat de kwaliteit van onderwijs niet verbeterd is. Immers “tegenover de betere beoordeling door de inspectie staat een dalende waardering van de ouders” zo wordt er gesteld in de conclusie op pagina 54.  Dat de daling van de oudertevredenheid marginaal is en wellicht met niet-schoolgebonden factoren is te verklaren (tijdsgeest, opleidingsniveau, aanwezigheid in de school, media-aandacht….) wordt gemakshalve buiten beschouwing gelaten.

Ouders overrulen de onderwijsinspectie. De conclusies uit het SCP-onderzoek zijn erop gebaseerd dat oudertevredenheid een minstens zo sterke indicator voor onderwijskwaliteit is als de ondervindingen van de onderwijsinspectie. Dat vind ik opvallend en het bespreken waard. Het is een goede aanleiding voor het verbeteren van oudercontact en dat ondersteun ik van harte en met verve. Maar of dit ‘klant is koning’-principe mag leiden tot het afserveren van het basisonderwijs zoals afgelopen week in de media, daarover ga ik graag met je in discussie.

Open deur

(Webcolumn 2009 – 04)

Oorspronkelijk wilde ik deze column beginnen met de titel ‘ouders zijn eigenlijk ook gewoon mensen’. Maar dat is zo’n open deur, dat ik dat maar bovenaan heb gezet.

Een open deur. Maar toch lijkt het alsof (beginnende) leerkrachten en directies het nogal eens vergeten.

Als mens is het fijn dat je je welkom voelt, dat er naar je geluisterd wordt en dat je ook naar de ander kunt luisteren. Gedag zeggen, aanspreekbaar zijn, open communicatie, horen en gehoord worden. Eigenlijk een gewoon gesprek op basis van wederzijds respect.

“Natuurlijk, natuurlijk”, hoor ik je bijna denken, maar waarom….

Waarom zijn 10-minutengesprekken dan vaak ongemakkelijke eenzijdige verslagen vanuit de leerkracht?
Waarom beperken de inhoudelijke gesprekken met ouders zich sowieso vaak tot die 10-minutengesprekken?
Waarom mogen ouders alleen op vaste tijden even in de school komen en moeten ze verder bij het hek wachten?
Waarom kruipt een leerkracht achter haar bureau op het moment dat er wel ouders in de klas zijn?
Waarom sluiten zoveel directeuren zich op in hun kamertje?
Waarom vinden we kritische ouders lastig en gaan we meteen in de verdediging?

Ja, waarom zetten we de deur niet écht open? Waarom laten we ouders niet écht binnen, in de school, in de klas, in onszelf?

 Misschien zeg je “nou, dat doe ik wel”. En misschien is dat ook zo. Dat is fijn! Dan merk je dat het resulteert in een open relatie met ouders. Soms moet je je grenzen aangeven, maar over het algemeen worden die grotendeels gerespecteerd.

Helaas gebeurt het bij veel scholen niet. Niet op schoolniveau of niet op leerkrachtniveau. En dan is het zaak hier iets aan te doen. Zorg dat je – beleidsmatig of in het kader van je POP – iets doet aan deze angst.

 Angst? Hoezo angst?

Angst is volgens mij het antwoord op al de eerder beschreven waarom-vragen. Angst voor ouders. Angst dat ze je niet respecteren, dat ze over je  heen walsen, je niet goed vinden. Angst voor een confrontatie, angst voor het afleggen van verantwoording.

Misschien is het gebaseerd op ervaring, misschien juist op onervarenheid, maar uiteindelijk belemmert het je in het uitoefenen van je beroep en het neerzetten van je school. Wat je uitstraalt, roep je op. Door je eigen houding schrik je ouders af. Zorg je ervoor dat ze wachten met een gesprek tot er écht iets aan de hand is. En dan is het meestal niet zo’n leuk gesprek. Of ze komen helemaal niet bij je , maar uiten hun frustratie bij het hek of bij de sportclub. Daar gaat je goede naam……

Je kunt nog zo goed je werk doen, het beste in leerlingen naar boven willen halen. Vele overuren maken met het nakijken van werk, het maken van extra lesstof of het organiseren van leuke activiteiten. Als je relatie met ouders niet optimaal is, is minstens de helft van je inzet verspilde moeite. En dat is zó zonde!

Dus bedenk je dat ouders ook gewoon mensen zijn. Ze slapen, zien er niet uit als ze wakker worden, en moeten regelmatig naar de wc. Verder willen ze gewoon het allerbeste voor datgene wat hen het allerliefste is. En jij kunt ze daarbij helpen. Betrek ze, praat met ze. Zet de deur open en ga erbij staan om deze ouders hartelijk welkom te heten.

Gezin BV: ouders als samenwerkende organisatie

(Webcolumn 2009-02)

Nog niet zo heel lang geleden werd je op scholen niet vriendelijk aangekeken wanneer je ouders tot klant bestempelde. Het was te afstandelijk, te zakelijk. Inmiddels zie je die term echter overal verschijnen. En ik denk dat je er een eind mee kunt komen. ‘Klant’ impliceert namelijk een zekere afhankelijkheid. Zonder klanten geen winkel, zonder ouders geen leerlingen dus geen school.

Toch geeft de vergelijking ‘ouders als klant’ een probleem. Immers, het onderwijs wordt gegeven aan de leerlingen. Ouders zijn geen directe afnemer, maar vaak wel zeer betrokken. Er is sprake van een lastige constructie die ‘ouder als klant’ mank laat gaan. Maar daar heb ik een oplossing voor. Zie ouders samen met hun kind(eren) als een samenwerkende organisatie: Gezin BV.

Iedereen die zelf een gezin heeft, weet dat het een hele organisatie is om alles en iedereen op elkaar af te stemmen. Er wordt ook wel eens gezegd dat moeders over de meeste managementkwaliteiten beschikken. Of dat zo is laat ik even in het midden. (Wel interessant voor opleidingen die met EVC’s werken….). Feit is, dat het gezin een organisatie is waar je als school mee te maken hebt. En dan is het wel zo fijn als je ervoor zorgt dat het een – voor beide partijen – waardevolle samenwerking is.

Bij samenwerking tussen organisaties gaat het er als eerste om wat je elkaar te bieden hebt. Welke toegevoegde waarde heeft de school voor Gezin BV? Dan heb je het over goed onderwijs. Missie, visie, doelen en deze communiceren. Weten wat je te bieden hebt en daar duidelijk in zijn. Geen loze beloften doen. De geschepte verwachtingen waarmaken.

En wat heeft Gezin BV de school te bieden? Het kind, de leerling!En gratis en voor niets krijg je de ouders(s) erbij. Profiteer hiervan! Deze ouders hebben namelijk drie belangrijke eigenschappen.

Ten eerste kennen ze hun eigen kind(eren) goed, hebben het zich zien ontwikkelen, ook toen er nog geen school was die zich daarmee bezig hield. Misschien herkennen ze zichzelf in hun kind. Ouders zijn zo een belangrijke informatiebron. Tenminste, als je dat op een goede manier weet te activeren.

Ten tweede kunnen ouders ook aan het onderwijsproces bijdragen door hun eigen kennis en kunde in te zetten. In het leerlingendossier blijkt een verborgen schat aan inzetbaarheid verstopt. Een native English vader, een zeer muzikale moeder, de organisatie-adviseur….

Last but not least zijn ouders het visitekaartje van de school. Ouders vertellen hun ervaringen bij het KDV, de peuterspeelzaal en de sportvereniging. Een ‘onverklaarbare’ terugval in het leerlingenaantal blijkt hier maar al te vaak aan gerelateerd. Investeren in contact met ouders zet de school weer op de kaart. Maar daarvoor moet je wel vertrouwen bieden, betrouwbaar zijn. Betrokkenheid tonen en weten waar je voor staat. Alle aspecten van institutionele samenwerking zijn zo te vertalen naar de samenwerking tussen Gezin BV en school. Verhoudingen worden hiermee inzichtelijk gemaakt en kunnen verbeterd worden.

Kortom: Als je – letterlijk of figuurlijk – ziek wordt van die lastige ouders, als je na je 10-minuten gesprekken weer zo’n onbevredigend gevoel hebt, als je school langzaamaan leeg dreigt te lopen, als je er even helemaal geen zin meer in hebt, denk dan aan Gezin BV. Zie ouders als een samenwerkende organisatie en besef dat je het tij kunt keren.

Vertrouwen en Betrouwbaarheid

(Webcolum 2009-01)

Vertrouwen en betrouwbaarheid kun je opvatten als de belangrijkste basis voor samenwerken. Het is allesbepalend en tegelijk ongrijpbaar. Zie deze column als een poging tot concretisering.

 Op vertrouwen kun je bouwen.

 Een pakkende one-liner, en geheel waar. Immers, wil je samen iets bereiken dan moet je van elkaar op aan kunnen. Je moet weten wat je aan elkaar hebt. Het gebruik van het woord ‘bouwen’ is in die zin ook toepasselijk omdat je vertrouwen kunt beschrijven als het fundament voor een goede samenwerking. Dat is verder leuk uit te werken en te voorzien van een fijne cartoonachtige illustratie. Dat laat ik echter aan je eigen verbeelding over. Ik wil verder. Vertrouwen komt namelijk nooit alleen en zeker niet zomaar.

 Vertrouwen is als een boemerang, wat je geeft, krijg je terug.

 Vertrouwen geven, betekent dat je zelf betrouwbaar moet zijn. Vertrouwen en betrouwbaarheid gaan in die zin hand in hand. Een opmerking als ‘Je vertrouwt me niet’ zegt dan ook vaak meer over de spreker dan over de toegesprokene. Je kunt je afvragen waar dit gebrek aan vertrouwen vandaan komt. Straal je vertrouwen uit? Geloof je in je eigen betrouwbaarheid? Kom je je afspraken na? Kun je dingen die je toezegt ook waarmaken? Binnen de tijd die je daarvoor hebt aangegeven?

En hoe zit het met die ander? Vertrouwt hij je inderdaad niet, of geeft hij je alleen dat gevoel? Is het gebaseerd op ervaringen met anderen? En hoe kun jij daarmee verder?

Hoe lastig het ook is, wanneer een samenwerking niet optimaal verloopt, moet je bovenstaande vragen zien te beantwoorden. Voor jezelf, maar – en dat is pas echt moeilijk – ook met elkaar. Vertrouwen krijg  je namelijk niet cadeau. Je moet het opbouwen en verdienen.

Vertrouwen is wederzijds en wederkerig.

 “Hé Betrouwbaarheid, jij ook hier?”

“Ja tuurlijk Vertrouwen, waar jij bent, kun je mij ook vinden. Tenminste, meestal. Soms ben ik even weg. Maar het valt me op, dat als ik er niet ben, jij ook snel je spullen pakt.”

Zomaar een gesprekje tussen Vertrouwen en Betrouwbaarheid op de gang van een willekeurige organisatie. Het gaat verder:

“Weet je Betrouwbaarheid, het klopt volledig wat je zegt. Als jij er niet bent, ik jou niet kan zien of voelen, voel ik me niet meer op mijn plaats. Ik trek me steeds verder terug, totdat ik volledig verdwenen ben. En zal ik je nog iets vertellen? Als ik dan eenmaal weg ben, vind ik het zo moeilijk om weer terug te komen. Het lukt me gewoon niet. Zolang ik er ben, gaat het prima. Maar ik houd constant alles in de gaten. Ben ik hier wel op mijn plaats? Maken ze geen misbruik van me? En als jij er bent, dan heb ik dat gevoel niet. Dan klopt het gewoon.”

Vertrouwen praat verder: “Ik merk ook dat we samen veel meer voor elkaar krijgen. Ik heb zelfs gehoord dat als we er allebei niet zijn, alles in de soep loopt. Ik wil ons niet teveel credits geven, maar als wij er niet zijn, schijnen mensen hele gekke dingen te doen. Ze maken misbruik van elkaar, praten niet meer met elkaar, gaan hun eigen weg. En dat terwijl ze elkaar vaak zo hard nodig hebben. Ik snap er niets van.”

“Ja, ja, ik weet precies wat je bedoelt,” zucht Betrouwbaarheid. “Het is maar goed dat we er zijn. Kopje koffie?”

Basiskwaliteit met een toefje aangename verrassing

(Webcolumn 2011/10)

Afgelopen maanden heb ik op verschillende scholen gevraagd waar ze dit jaar aan gaan werken. Dat leverde veelal geen kort en krachtig antwoord. Een rij van minimaal 20 verbeterpunten in een schoolplan was geen uitzondering. Maar hoe reëel is het om als school op zoveel items te willen veranderen? Voor veel scholen zal het niet haalbaar zijn, puur omdat er geen overzicht is en geen prioriteiten zijn gesteld.

Leerkrachten raken gestrest of haken af. Zelf weet ik niet wat erger is. In ieder geval komt het beide het onderwijs niet ten goede. Daarbij krijgen ze ook nog eens te maken met die zogenaamde lastige ouders. “Ouders zijn tegenwoordig zo veeleisend.” Maar is dat wel zo? Of komt dat omdat je ze als school dingen beloofd die je niet waar maakt?

Misschien heb ik je wel eens eerder vertelt over het boekje ‘Maak een fan van je klant’ (Blanchard & Bowles, 2011).  Ik ben een fan van dat boekje. Op scholen wordt regelmatig de ouder- en leerlingtevredenheid gemeten. Dit boekje geeft aan dat ‘tevredenheid’ je niet veel oplevert. Je moet zorgen dat mensen ‘fan’ van je worden. Dan verspreiden ze hun enthousiasme. En dat enthousiasme kan jullie school die broodnodige leerlingen opleveren.

Terug naar het schoolplan. Met de items die hierin genoemd staan, zorg je ervoor dat de basis gedekt is en dat je net een stapje meer doet dan de ouders verwachten. Dat is minder moeilijk dan je misschien zou denken. In tegenstelling tot wat vaak gezegd wordt, durf ik te beweren dat de meeste ouders helemaal niet veeleisend zijn. De verwachtingen zijn over het algemeen vrij laag. Als kindlief het naar zijn zin heeft en het duidelijk is dat er geleerd wordt, zijn de papa’s en mama’s over het algemeen snel tevreden. Bedenk daarbij dat veel ouders niet meer weten van onderwijs dan wat ze zelf hebben meegemaakt, aangevuld met de ervaringen van jullie school. Omdat je als onderwijsprofessional wel overzicht hebt op onderwijs in het algemeen en specifiek op jullie school, kun je dat gebruiken voor dat beetje extra waarover ouders (jullie fans?) aan de rand van het voetbalveld vertellen.

En als je vanuit dat oogpunt het schoolplan nog eens bekijkt…. Welke verbeterpunten zijn erop gericht dat de basis op orde komt of blijft? Vertaald naar ouders: welke verbeterpunten moeten ervoor zorgen dat ouders in ieder geval tevreden worden of blijven?En kijk dan eens verder. Met welke verbeterpunten creëren we fans? Hoe zorgen we ervoor dat ons dat ook werkelijk gaat lukken? En hoe kijken we aan het einde van het schooljaar of we dat ook gedaan hebben en of het ons gelukt is?Tot slot zijn er misschien verbeterpunten die niet gericht zijn op tevredenheid en eigenlijk ook geen fanmail zullen genereren. Wat als we die eens schrappen?

Aan de hand van een schoolplan kan ik zien in welke mate ouders tevreden dan wel fan (kunnen) zijn van een school. Dat zie ik aan het aantal, de inhoud en de formulering van de items. Veel, breed en vaag is een garantie voor teruglopend leerlingaantal. Immers, dat kun je niet waarmaken. Een teleurgestelde ouder is geen fan en gaat dat ook niet worden. Fans willen een gegarandeerde basiskwaliteit met een toefje aangename verrassing. En dat komt goed uit. Dat is namelijk precies wat iedere school wil bieden. Of niet?!

Waar een wil is, is een weg

 (Webcolumn 2011/09)

“Waar een wil is, is een weg”, zo wordt er vaak gesteld. Of “als je iets echt graag wilt, lukt het ook”. Ahum! Dat klinkt wel erg makkelijk. Alsof je zelf de enige bepalende factor zou zijn. Nou, er zijn  natuurlijk wel meer variabelen die bepalen of iets lukt of kan. Zo spelen overheid (vandaag Prinsjesdag!) , ouders en ontwikkelingen in de buurt bijvoorbeeld een grote rol. En daar lijk je vaak zelf weinig invloed op te hebben.

Toch ben ik het stiekem wel eens met het gezegde. Niet in de afrekenden sfeer van, als iets niet gelukt is, dat iemand dan zegt: “Dan wilde je het niet graag genoeg.” Dat lijkt te veel op het doen van een wens: Ogen strak dicht knijpen en denken ‘ik wil het, ik wil het’. Nee, dat is te passief. Daar maken we geen kwalitatief goed onderwijs mee.

Zoals ik het zie is ‘de wil’ die ten grondslag ligt aan ‘de weg’, actief. Het heeft te maken met een gezamenlijk willen. Een concretiseerbaar willen ook. En dat is duidelijk iets anders dan wensen. Het betekent eigenlijk zoiets als “Als je weet wat je wilt (‘de wil’), dan kun je daar naar werken (‘de weg’)”. Dit komt aardig overeen met de ideeën achter de Balanced ScoreCard van Kaplan en Norton.

De Balanced ScoreCard is ontwikkeld om organisaties te helpen bij het plannen en managen, het maken van strategische keuzes. Op zich is het niet wereldschokkend, maar het brengt de boel duidelijk en eenvoudig in kaart. Het gaat ervan uit dat een organisatie visie en strategie bepaalt in wisselwerking met 4 perspectieven: Financieel, Klant, Interne organisatieprocessen en Ontwikkeling & groei. Voor elk van de perspectieven geef je een concrete beschrijving van de onderwerpen waar je goed in moet/wil zijn. Dit heten de kritische succesfactoren. Vervolgens geef je daar waardes aan die je wilt behalen, de zogenaamde prestatie-indicatoren. Zo worden meetbare doelen geformuleerd die sturend zijn voor de dagelijkse gang van zaken. Wie bedenkt dat dit instrument in de jaren 90 van de vorige eeuw al ‘hot’ was, kan zich afvragen waarom Opbrengstgericht Onderwijs nu pas (en met de nodige weerstand) een aandachtspunt is. Maar dat terzijde.

Het bepalen van de prestatie-indicatoren is het lastigste stuk uit dit verhaal. Immers, niet alles is zomaar inzichtelijk meetbaar te maken. Dat is ook het struikelblok voor Opbrengstgericht Onderwijs. Ik schreef hierover al mijn webcolumn van mei 2011. Maar vandaag hadden we het over het willen. In Balanced Scorecard-taal gaat het dan over de kritische succesfactoren.  

– Klantperspectief: Welke verwachtingen wil je bij ouders en kinderen scheppen en waarmaken? Wat wil je dat ouders over je zeggen als ze op het sportveld staan? Hoe wil je dat leerlingen zich je herinneren als ze naar het voortgezet onderwijs zijn?

– Financieel perspectief: Hoe wil je de financiële zaken regelen, welke keuzes wil je maken?

– Perspectief van interne processen: Hoe wil je onderwijs geven? Hoe wil je de groepen verdelen? Wil je klassikaal of andersoortig onderwijs? Wat wil je doen voor niet-gemiddelde leerlingen? Hoe wil je expertise inzetten?

– Perspectief van ontwikkeling en groei: Waarin wil je goed worden of blijven? Hoe wil je dat bewerkstelligen? Hoe wil  je kennis delen?

Dit zijn, even uit de losse pols, een paar voorbeeldvragen. De ‘je’ kan daarbij zowel gelden voor een leerkracht, een manager als voor het team en de school. ‘Waar een wil is, is een weg’. Een gezamenlijk wil op bovenstaande punten is in grote mate bepalend voor het succes en de kwaliteit van jullie school.

Citeertitel: Kiewiet-Kester, J. (2011). Waar een wil is…, webcolumn 2011/09. Internet: www.IedereLeerkrachtEenProfessional.nl

 

2012 WORDT HET JAAR! Reserveer nu een visietraject en zet je school (weer) op de kaart! info@LERENenORGANISEREN.nl

Professioneel?!

(webcolumn 2011-02)

Het is druk in de school. Het gonst, er wordt gelachen. Aanwezigen verzamelen zich in de hal. Een schaterlach, anderen kijken om en lopen vervolgens door naar de tafel met koffie en thee. O lekker, er zijn ook taartjes.

Vandaag geen kinderen in deze school. Wel veel gepraat, een “hé, hallo”, “goh, werk jij hier ook” en een “dat is een tijd geleden”. De leerkrachten van het bestuur komen vandaag samen voor een ‘enerverende bijeenkomst’, aldus de uitnodiging in het postbakje drie weken geleden.

Wanneer na 10 minuten iedereen zijn jas heeft opgehangen en de koffie met gebak heeft laten smaken, verandert het gepraat. Er zijn groepjes ontstaan. Als ik het nader beschouw, zijn het globaal 12 groepen en een restje. Links bij de geluidsinstallatie herken ik – dat restje – de organisatoren van deze bovenschoolse studiedag. Ik besef me dat er 12 scholen onder dit bestuur vallen en dat dat niet toevallig overeen komt met het aantal gevormde groepen: men verzamelt zich bij de eigen directe collega’s. Dit gebeurt bij binnenkomst, bij de lunch en straks bij de afsluitende borrel is het waarschijnlijk niet veel anders.

Ik zie dat vaker en het blijft me verbazen.

Begin vorig jaar kwam mijn boek ‘Iedere leerkracht een professional’ op de markt. Mij werd gevraagd of ik dat wel zo kon noemen. De interviewer betwijfelde namelijk of de titel overeen kwam met de werkelijkheid. Ik zelf ben daar stellig in: Als  het niet is, moet het zo worden. En laten we daar met z’n allen hard aan werken. Van een arts accepteer je het ook niet als hij ‘maar iets doet’ en op zijn eigen eilandje opereert (letterlijk en figuurlijk) zonder zich te verdiepen in en verbinden met zijn vakgebied en vakgenoten. De leerkracht is de kern van kwalitatief goed onderwijs. Dus ‘iedere leerkracht een professional’ is het minst wat je binnen een school mag verwachten.

En dan zie ik weer die leerkrachten die tijdens zo’n studiedag clusteren rond het bekende. Is dat professioneel? Zit de kracht niet juist in de uitwisseling? Joehoe! Hier staat een overvloed aan kennis en ervaring! Hier staan vleesgeworden antwoorden op vragen waar jij al heel lang mee worstelt, gewoon koffie te drinken  met hun eigen duo-partner! Grijp je kans. Kom uit je comfortzone, breek zo’n kringetje open en vraag “Goh, is er bij jullie op school iemand die mij zou kunnen helpen met…..” Laat je verrassen door de bereidheid tot medewerking. De ander is ineens niet meer zo ‘anders’. Hij helpt je op weg. Jij stelt je open en samen kom je tot mogelijke oplossingen die eerder geheel buiten je zichtveld lagen. Je wilt ze meteen morgen verder uitwerken. Dát is professioneel.

NB. Ben je een (bovenschools) directeur die de beschrijving herkent. Wees je dan bewust van de insteek van de bijeenkomst. Is het een gezellig uitje als dank voor bewezen diensten? Dan kun je het lekker laten zoals het is.
Noem je het echter een studiedag, dan streef je ernaar dat leerkrachten aan het einde van de dag naar huis gaan met een fijn gevoel omdat ze iets ontdekt, ervaren, geleerd, gehoord, …. hebben waar ze in hun werk profijt van hebben. Is dat je doel, dan kun je bijna niet anders dan op zoek gaan naar onderlinge uitwisseling.