Vertrouwen en Betrouwbaarheid

(Webcolum 2009-01)

Vertrouwen en betrouwbaarheid kun je opvatten als de belangrijkste basis voor samenwerken. Het is allesbepalend en tegelijk ongrijpbaar. Zie deze column als een poging tot concretisering.

 Op vertrouwen kun je bouwen.

 Een pakkende one-liner, en geheel waar. Immers, wil je samen iets bereiken dan moet je van elkaar op aan kunnen. Je moet weten wat je aan elkaar hebt. Het gebruik van het woord ‘bouwen’ is in die zin ook toepasselijk omdat je vertrouwen kunt beschrijven als het fundament voor een goede samenwerking. Dat is verder leuk uit te werken en te voorzien van een fijne cartoonachtige illustratie. Dat laat ik echter aan je eigen verbeelding over. Ik wil verder. Vertrouwen komt namelijk nooit alleen en zeker niet zomaar.

 Vertrouwen is als een boemerang, wat je geeft, krijg je terug.

 Vertrouwen geven, betekent dat je zelf betrouwbaar moet zijn. Vertrouwen en betrouwbaarheid gaan in die zin hand in hand. Een opmerking als ‘Je vertrouwt me niet’ zegt dan ook vaak meer over de spreker dan over de toegesprokene. Je kunt je afvragen waar dit gebrek aan vertrouwen vandaan komt. Straal je vertrouwen uit? Geloof je in je eigen betrouwbaarheid? Kom je je afspraken na? Kun je dingen die je toezegt ook waarmaken? Binnen de tijd die je daarvoor hebt aangegeven?

En hoe zit het met die ander? Vertrouwt hij je inderdaad niet, of geeft hij je alleen dat gevoel? Is het gebaseerd op ervaringen met anderen? En hoe kun jij daarmee verder?

Hoe lastig het ook is, wanneer een samenwerking niet optimaal verloopt, moet je bovenstaande vragen zien te beantwoorden. Voor jezelf, maar – en dat is pas echt moeilijk – ook met elkaar. Vertrouwen krijg  je namelijk niet cadeau. Je moet het opbouwen en verdienen.

Vertrouwen is wederzijds en wederkerig.

 “Hé Betrouwbaarheid, jij ook hier?”

“Ja tuurlijk Vertrouwen, waar jij bent, kun je mij ook vinden. Tenminste, meestal. Soms ben ik even weg. Maar het valt me op, dat als ik er niet ben, jij ook snel je spullen pakt.”

Zomaar een gesprekje tussen Vertrouwen en Betrouwbaarheid op de gang van een willekeurige organisatie. Het gaat verder:

“Weet je Betrouwbaarheid, het klopt volledig wat je zegt. Als jij er niet bent, ik jou niet kan zien of voelen, voel ik me niet meer op mijn plaats. Ik trek me steeds verder terug, totdat ik volledig verdwenen ben. En zal ik je nog iets vertellen? Als ik dan eenmaal weg ben, vind ik het zo moeilijk om weer terug te komen. Het lukt me gewoon niet. Zolang ik er ben, gaat het prima. Maar ik houd constant alles in de gaten. Ben ik hier wel op mijn plaats? Maken ze geen misbruik van me? En als jij er bent, dan heb ik dat gevoel niet. Dan klopt het gewoon.”

Vertrouwen praat verder: “Ik merk ook dat we samen veel meer voor elkaar krijgen. Ik heb zelfs gehoord dat als we er allebei niet zijn, alles in de soep loopt. Ik wil ons niet teveel credits geven, maar als wij er niet zijn, schijnen mensen hele gekke dingen te doen. Ze maken misbruik van elkaar, praten niet meer met elkaar, gaan hun eigen weg. En dat terwijl ze elkaar vaak zo hard nodig hebben. Ik snap er niets van.”

“Ja, ja, ik weet precies wat je bedoelt,” zucht Betrouwbaarheid. “Het is maar goed dat we er zijn. Kopje koffie?”

Basiskwaliteit met een toefje aangename verrassing

(Webcolumn 2011/10)

Afgelopen maanden heb ik op verschillende scholen gevraagd waar ze dit jaar aan gaan werken. Dat leverde veelal geen kort en krachtig antwoord. Een rij van minimaal 20 verbeterpunten in een schoolplan was geen uitzondering. Maar hoe reëel is het om als school op zoveel items te willen veranderen? Voor veel scholen zal het niet haalbaar zijn, puur omdat er geen overzicht is en geen prioriteiten zijn gesteld.

Leerkrachten raken gestrest of haken af. Zelf weet ik niet wat erger is. In ieder geval komt het beide het onderwijs niet ten goede. Daarbij krijgen ze ook nog eens te maken met die zogenaamde lastige ouders. “Ouders zijn tegenwoordig zo veeleisend.” Maar is dat wel zo? Of komt dat omdat je ze als school dingen beloofd die je niet waar maakt?

Misschien heb ik je wel eens eerder vertelt over het boekje ‘Maak een fan van je klant’ (Blanchard & Bowles, 2011).  Ik ben een fan van dat boekje. Op scholen wordt regelmatig de ouder- en leerlingtevredenheid gemeten. Dit boekje geeft aan dat ‘tevredenheid’ je niet veel oplevert. Je moet zorgen dat mensen ‘fan’ van je worden. Dan verspreiden ze hun enthousiasme. En dat enthousiasme kan jullie school die broodnodige leerlingen opleveren.

Terug naar het schoolplan. Met de items die hierin genoemd staan, zorg je ervoor dat de basis gedekt is en dat je net een stapje meer doet dan de ouders verwachten. Dat is minder moeilijk dan je misschien zou denken. In tegenstelling tot wat vaak gezegd wordt, durf ik te beweren dat de meeste ouders helemaal niet veeleisend zijn. De verwachtingen zijn over het algemeen vrij laag. Als kindlief het naar zijn zin heeft en het duidelijk is dat er geleerd wordt, zijn de papa’s en mama’s over het algemeen snel tevreden. Bedenk daarbij dat veel ouders niet meer weten van onderwijs dan wat ze zelf hebben meegemaakt, aangevuld met de ervaringen van jullie school. Omdat je als onderwijsprofessional wel overzicht hebt op onderwijs in het algemeen en specifiek op jullie school, kun je dat gebruiken voor dat beetje extra waarover ouders (jullie fans?) aan de rand van het voetbalveld vertellen.

En als je vanuit dat oogpunt het schoolplan nog eens bekijkt…. Welke verbeterpunten zijn erop gericht dat de basis op orde komt of blijft? Vertaald naar ouders: welke verbeterpunten moeten ervoor zorgen dat ouders in ieder geval tevreden worden of blijven?En kijk dan eens verder. Met welke verbeterpunten creëren we fans? Hoe zorgen we ervoor dat ons dat ook werkelijk gaat lukken? En hoe kijken we aan het einde van het schooljaar of we dat ook gedaan hebben en of het ons gelukt is?Tot slot zijn er misschien verbeterpunten die niet gericht zijn op tevredenheid en eigenlijk ook geen fanmail zullen genereren. Wat als we die eens schrappen?

Aan de hand van een schoolplan kan ik zien in welke mate ouders tevreden dan wel fan (kunnen) zijn van een school. Dat zie ik aan het aantal, de inhoud en de formulering van de items. Veel, breed en vaag is een garantie voor teruglopend leerlingaantal. Immers, dat kun je niet waarmaken. Een teleurgestelde ouder is geen fan en gaat dat ook niet worden. Fans willen een gegarandeerde basiskwaliteit met een toefje aangename verrassing. En dat komt goed uit. Dat is namelijk precies wat iedere school wil bieden. Of niet?!

Waar een wil is, is een weg

 (Webcolumn 2011/09)

“Waar een wil is, is een weg”, zo wordt er vaak gesteld. Of “als je iets echt graag wilt, lukt het ook”. Ahum! Dat klinkt wel erg makkelijk. Alsof je zelf de enige bepalende factor zou zijn. Nou, er zijn  natuurlijk wel meer variabelen die bepalen of iets lukt of kan. Zo spelen overheid (vandaag Prinsjesdag!) , ouders en ontwikkelingen in de buurt bijvoorbeeld een grote rol. En daar lijk je vaak zelf weinig invloed op te hebben.

Toch ben ik het stiekem wel eens met het gezegde. Niet in de afrekenden sfeer van, als iets niet gelukt is, dat iemand dan zegt: “Dan wilde je het niet graag genoeg.” Dat lijkt te veel op het doen van een wens: Ogen strak dicht knijpen en denken ‘ik wil het, ik wil het’. Nee, dat is te passief. Daar maken we geen kwalitatief goed onderwijs mee.

Zoals ik het zie is ‘de wil’ die ten grondslag ligt aan ‘de weg’, actief. Het heeft te maken met een gezamenlijk willen. Een concretiseerbaar willen ook. En dat is duidelijk iets anders dan wensen. Het betekent eigenlijk zoiets als “Als je weet wat je wilt (‘de wil’), dan kun je daar naar werken (‘de weg’)”. Dit komt aardig overeen met de ideeën achter de Balanced ScoreCard van Kaplan en Norton.

De Balanced ScoreCard is ontwikkeld om organisaties te helpen bij het plannen en managen, het maken van strategische keuzes. Op zich is het niet wereldschokkend, maar het brengt de boel duidelijk en eenvoudig in kaart. Het gaat ervan uit dat een organisatie visie en strategie bepaalt in wisselwerking met 4 perspectieven: Financieel, Klant, Interne organisatieprocessen en Ontwikkeling & groei. Voor elk van de perspectieven geef je een concrete beschrijving van de onderwerpen waar je goed in moet/wil zijn. Dit heten de kritische succesfactoren. Vervolgens geef je daar waardes aan die je wilt behalen, de zogenaamde prestatie-indicatoren. Zo worden meetbare doelen geformuleerd die sturend zijn voor de dagelijkse gang van zaken. Wie bedenkt dat dit instrument in de jaren 90 van de vorige eeuw al ‘hot’ was, kan zich afvragen waarom Opbrengstgericht Onderwijs nu pas (en met de nodige weerstand) een aandachtspunt is. Maar dat terzijde.

Het bepalen van de prestatie-indicatoren is het lastigste stuk uit dit verhaal. Immers, niet alles is zomaar inzichtelijk meetbaar te maken. Dat is ook het struikelblok voor Opbrengstgericht Onderwijs. Ik schreef hierover al mijn webcolumn van mei 2011. Maar vandaag hadden we het over het willen. In Balanced Scorecard-taal gaat het dan over de kritische succesfactoren.  

– Klantperspectief: Welke verwachtingen wil je bij ouders en kinderen scheppen en waarmaken? Wat wil je dat ouders over je zeggen als ze op het sportveld staan? Hoe wil je dat leerlingen zich je herinneren als ze naar het voortgezet onderwijs zijn?

– Financieel perspectief: Hoe wil je de financiële zaken regelen, welke keuzes wil je maken?

– Perspectief van interne processen: Hoe wil je onderwijs geven? Hoe wil je de groepen verdelen? Wil je klassikaal of andersoortig onderwijs? Wat wil je doen voor niet-gemiddelde leerlingen? Hoe wil je expertise inzetten?

– Perspectief van ontwikkeling en groei: Waarin wil je goed worden of blijven? Hoe wil je dat bewerkstelligen? Hoe wil  je kennis delen?

Dit zijn, even uit de losse pols, een paar voorbeeldvragen. De ‘je’ kan daarbij zowel gelden voor een leerkracht, een manager als voor het team en de school. ‘Waar een wil is, is een weg’. Een gezamenlijk wil op bovenstaande punten is in grote mate bepalend voor het succes en de kwaliteit van jullie school.

Citeertitel: Kiewiet-Kester, J. (2011). Waar een wil is…, webcolumn 2011/09. Internet: www.IedereLeerkrachtEenProfessional.nl

 

2012 WORDT HET JAAR! Reserveer nu een visietraject en zet je school (weer) op de kaart! info@LERENenORGANISEREN.nl

Professioneel?!

(webcolumn 2011-02)

Het is druk in de school. Het gonst, er wordt gelachen. Aanwezigen verzamelen zich in de hal. Een schaterlach, anderen kijken om en lopen vervolgens door naar de tafel met koffie en thee. O lekker, er zijn ook taartjes.

Vandaag geen kinderen in deze school. Wel veel gepraat, een “hé, hallo”, “goh, werk jij hier ook” en een “dat is een tijd geleden”. De leerkrachten van het bestuur komen vandaag samen voor een ‘enerverende bijeenkomst’, aldus de uitnodiging in het postbakje drie weken geleden.

Wanneer na 10 minuten iedereen zijn jas heeft opgehangen en de koffie met gebak heeft laten smaken, verandert het gepraat. Er zijn groepjes ontstaan. Als ik het nader beschouw, zijn het globaal 12 groepen en een restje. Links bij de geluidsinstallatie herken ik – dat restje – de organisatoren van deze bovenschoolse studiedag. Ik besef me dat er 12 scholen onder dit bestuur vallen en dat dat niet toevallig overeen komt met het aantal gevormde groepen: men verzamelt zich bij de eigen directe collega’s. Dit gebeurt bij binnenkomst, bij de lunch en straks bij de afsluitende borrel is het waarschijnlijk niet veel anders.

Ik zie dat vaker en het blijft me verbazen.

Begin vorig jaar kwam mijn boek ‘Iedere leerkracht een professional’ op de markt. Mij werd gevraagd of ik dat wel zo kon noemen. De interviewer betwijfelde namelijk of de titel overeen kwam met de werkelijkheid. Ik zelf ben daar stellig in: Als  het niet is, moet het zo worden. En laten we daar met z’n allen hard aan werken. Van een arts accepteer je het ook niet als hij ‘maar iets doet’ en op zijn eigen eilandje opereert (letterlijk en figuurlijk) zonder zich te verdiepen in en verbinden met zijn vakgebied en vakgenoten. De leerkracht is de kern van kwalitatief goed onderwijs. Dus ‘iedere leerkracht een professional’ is het minst wat je binnen een school mag verwachten.

En dan zie ik weer die leerkrachten die tijdens zo’n studiedag clusteren rond het bekende. Is dat professioneel? Zit de kracht niet juist in de uitwisseling? Joehoe! Hier staat een overvloed aan kennis en ervaring! Hier staan vleesgeworden antwoorden op vragen waar jij al heel lang mee worstelt, gewoon koffie te drinken  met hun eigen duo-partner! Grijp je kans. Kom uit je comfortzone, breek zo’n kringetje open en vraag “Goh, is er bij jullie op school iemand die mij zou kunnen helpen met…..” Laat je verrassen door de bereidheid tot medewerking. De ander is ineens niet meer zo ‘anders’. Hij helpt je op weg. Jij stelt je open en samen kom je tot mogelijke oplossingen die eerder geheel buiten je zichtveld lagen. Je wilt ze meteen morgen verder uitwerken. Dát is professioneel.

NB. Ben je een (bovenschools) directeur die de beschrijving herkent. Wees je dan bewust van de insteek van de bijeenkomst. Is het een gezellig uitje als dank voor bewezen diensten? Dan kun je het lekker laten zoals het is.
Noem je het echter een studiedag, dan streef je ernaar dat leerkrachten aan het einde van de dag naar huis gaan met een fijn gevoel omdat ze iets ontdekt, ervaren, geleerd, gehoord, …. hebben waar ze in hun werk profijt van hebben. Is dat je doel, dan kun je bijna niet anders dan op zoek gaan naar onderlinge uitwisseling.  

 

Weerstand!

(webcolumn 2011-05)

Ik ontkom er niet aan. Als je webcolumns schrijft over kwaliteit van onderwijs, móet je het een keer hebben over opbrengstgericht onderwijs. Sinds de term ‘in de lucht is’, merk ik bij mezelf – en vele anderen uit het onderwijsveld – weerstand. En eigenlijk is dat vreemd. Dat ga ik toelichten vanuit mijn eigen situatie.

Ruim 5 jaar geleden richtte ik mijn bedrijf op en gaf het de naam 3D-L&O: doelbewust, doelgericht & doeltreffend leren en organiseren. Meer opbrengstgericht dan dat kun je niet zijn, lijkt me. En toch is er die weerstand. Met het idee dat, als ik daar een vinger achter kan krijgen, ik misschien ook zicht krijg op de weerstand van anderen, ben ik dat eens nader gaan bekijken. Dit heb ik gevonden en misschien herken je jezelf (of collega’s) erin.

De weerstand zit NIET in het willen behalen van opbrengst. Immers, als je geen opbrengsten wil, waarom moeten kinderen dan naar school? Wat is dan het nut van leerplicht? Eigenlijk zou opbrengstgericht onderwijs een open deur moeten zijn. Een pleonasme als de professionele leerkracht. Mijn weerstand bleek gericht op twee andere gebieden.

 I)  De enge gerichtheid op taal en rekenen. Eng in de zin van ‘smal’. Onderwijs aan leerlingen is meer dan taal en rekenen. Je wilt het kind als geheel vormen en stimuleren. Ten minste, zo kijk ik er tegenaan. De smalle gerichtheid op taal en rekenen vind ik daarmee ook echt een beetje eng (brrrr). Ik snap die aandacht voor taal en rekenen wel. Het zijn natuurlijk twee hele belangrijke vakken en scores zijn door middel van toetsen vrij eenvoudig inzichtelijk te maken. Maar toch…. er is meer in het leven…

II)  De meetbaarheid van opbrengst. Opbrengst impliceert een actie tussen een begin- en eindsituatie. Door te kijken naar de eindsituatie wil men bepalen wat de invloed is van die actie op de beginsituatie: de opbrengst. Dat is dus nogal complex. Hoe kun je vaststellen wie of wat de opbrengst heeft gegenereerd? Eenduidige antwoorden zijn moeilijk te geven. Zijn alle variabelen in beeld? Worden verbanden goed gelegd? Onderzoekstechnisch gaat het om validiteit en betrouwbaarheid: Meet je de goede dingen en meet je de dingen goed? Als je conclusies verbindt aan je meetgegevens, moet je heel zeker weten wie of wat verantwoordelijk is voor de opbrengst. Kun je aan de hand van de leerresultaten van leerlingen bijvoorbeeld iets zeggen over de toegevoegde waarde van de leerkracht? Dat is een discussie waard.

Kortom, ik ben er achter gekomen dat ik geen weerstand heb tegen opbrengstgericht werken op zich. In tegendeel zelfs. Mijn weerstand wordt met name gevoed door de grote onzekerheid van meetgegevens en de conclusies die ondanks dat toch gewoon getrokken worden. Herken je dat?

En hoe maken we dan van dit probleem een uitdaging ;-)?

Professionele leerkracht als pleonasme

(webcolumn 2011-04)

Ik was een keer op een conferentie en daar gaf iemand – ik weet helaas niet meer wie – het volgende voorbeeld: Je hebt een splinternieuwe auto. Zo eentje die je altijd al had willen hebben. Waarvan je niet verwacht had dat je hem ooit zou krijgen. Maar daar staat –ie op jouw oprit en jij bent toch echt de eigenaar van de sleutels. Op dat moment vraagt een goede vriend: “Joh, laat mij er even in rijden.” Oei, dat doet zeer. Maar het is een goede vriend en je geeft hem de sleutel. Na een  half uur komt hij terug. Wat is het eerste wat je doet?

Juist, je loopt een rondje en inspecteert quasi nonchalant, maar uiterst grondig of er geen krasje op zit. … En dat is alleen nog maar je auto.

Nu gaat het dus om ouders met hun kind, de eerste schooldag bij de klasdeur….En ze kennen de leerkracht nog niet eens echt. Wat de leerkracht doet, vormt het kind en is van invloed op de rest van zijn leven. En dat vertrouwen wordt gegeven. Door de ouders aan de leerkracht. Zomaar! Ze geven hun dierbaarste bezit aan de leerkracht, een vreemde, in de veronderstelling dat hun kind zich daar, bij de professional, beter ontwikkelt dan wanneer het thuis zou blijven.

Heb je je weleens gerealiseerd dat dat ook het idee is achter de leerplicht? Wij vinden het gewoon dat kinderen naar school móeten. Maar het feit dat het een plicht is, wil niet meer zeggen dan dat de toegevoegde waarde voor de ontwikkeling van een kind, op school hoger wordt geacht dan thuis. Of te wel: Een kind leert op school meer dan thuis en daarom is het belangrijk dat hij er op regelmatige basis is. Dat zegt dus nogal wat!

De verwachtingen zijn dus hoog gespannen. En dat móeten leerkrachten waarmaken. Het maakt daarbij niet uit of ze fulltime werken of één dag in de week. Voor iedere leerkracht geldt: Als je er bent, moet je er zijn. Daarmee bedoel ik dat de leerkracht – als professional – weet wat hij doet, waarom hij het doet en waar het past in het totaalplaatje dat de school biedt. Misschien niet iedere minuut, maar gedurende de dag moet een leerkracht zich dat wel bewust zijn. En dan gaat het dus niet alleen om de kernvakken. Ook de omgang met anderen, samenwerken, zelfstandigheid, zelfbewustheid…. Alles wat een kind ontwikkelt tot een cognitief en sociaal vaardig mens.

En dat mag de leerkracht dus doen!
Actief, bewust, mogelijk zelfs gepassioneerd, draagt de leerkracht gedurende de dag zorg voor de kinderen die hem zijn toevertrouwd……

De professionele leerkracht als pleonasme, een ideaalplaatje? Nee! Een minimumvereiste.

Gelukkig niet duur…

(webcolumn  2011-03)

Begin van de maand beschreef ik in mijn functiemix-tips het verschil tussen de functiemix en prestatiebeloning. Terwijl ik dat schreef ging ik me er steeds meer over opwinden. Ik ben namelijk een groot voorstander van de functiemix. Ik zie duidelijke duurzame mogelijkheden voor het verhogen van de onderwijskwaliteit door gerichte aandacht voor de diversiteit binnen het leraarsberoep. Dat is een hele zin, maar het betekent gewoon dat je met de functiemix het werken in het onderwijs beter en leuker kunt maken. En dat is waar iedereen naar streeft.

En dan wordt daar plotseling doorheen gefietst met prestatiebeloning! Hoe ondoorgrondelijk wil je het hebben?

De functiemix, daar ben ik dus een grote voorstander van. Ik vind het goed dat er inzichtelijk wordt gemaakt dat leerkrachten verschillende taken en verantwoordelijkheden hebben. Niet iedere leerkracht is hetzelfde. Niet iedere leerkracht kan hetzelfde. Niet iedere leerkracht wil hetzelfde. Daar moet je niet moeilijk over doen. In tegendeel, als je dat binnen je organisatie goed inzet, heb je daar veel profijt van. Waarom die juf ‘lastig vallen’ met managementtaken als ze haar hart volledig in de klas heeft liggen? Aan de andere kant, wat doe je met leerkrachten die meer willen, die overzicht hebben, willen bijdragen aan de organisatie als geheel, zich niet voldoende uitgedaagd voelen door alleen ‘het draaien van de klas’? Ook die kun je behouden door andersoortige functies te bieden. En, ja bij verschillende functieniveaus horen verschillende beloningen. Dat is vooraf inzichtelijk.

Prestatiebeloning, daarover ben ik verre van enthousiast. Op het eerste gezicht is het een mooi principe dat iemand die beter presteert, ook meer verdient. Maar….
– Hoe bepaal je of iemand beter presteert? Aan de hand van de CITO-resultaten van de klas? Dan willen we allemaal die slimmeriken uit groep 6. Of te wel, hoe bepaal je de werkelijk toegevoegde waarde, de leerwinst?
– Is goed presteren hetzelfde als goed je best doen? Of te wel, gaat het om het eindproduct of (ook) om het proces? En hoe wil je dat dan objectief beoordelen?
– Worden leerkrachten überhaupt gemotiveerd door een paar extra euro’s? Worden ze daar kwalitatief beter van? Zitten we te wachten op een afrekencultuur?
-…

Ik ben van mening dat beloningsdifferentiatie onmogelijk objectief kan worden uitgevoerd. En, verrassend genoeg is dat misschien ook helemaal niet zo’n probleem.  Je hebt het namelijk helemaal niet nodig! Waarom zou je iemand belonen als hij zijn werk goed heeft gedaan? Dat is toch de omgekeerde wereld?! Leerkrachten worden betaald voor de verantwoordelijkheden die zij toebedeeld  krijgen, het uitgangspunt is dat ze dat goed doen! Het is de taak van de manager om daarop aan te sturen en indien nodig bij te sturen. Immers, hoe kun je tevreden zijn met een leerkracht die zijn werk niet goed doet? “Nou, hij is in ieder geval niet duur.”

Voornemens

(webcolumn 2011-01)

Stel je voor: een gesprekje tussen ouder en leerkracht.
Ouder: “Ik merk dat mijn kind gepest wordt. Niet openlijk, maar zo’n beetje stiekem op het schoolplein.”
Leerkracht: “Ik ben voornemens daar iets aan te doen.”

Noodkreet van een leerkracht in de directeurskamer:
Leerkracht: “Ik trek het niet meer. Mijn klas lijkt alleen te bestaan uit dyslecten  en ADHD-ers. Aaarch…
Directeur: “Ik ben voornemens daar iets mee te doen.”

Het nieuwe jaar is al weer even op gang. Je wordt zo opgezogen door je dagelijkse werkzaamheden dat je bijna vergeten bent dat je recent kerstvakantie had. En hoe zit het met je goede voornemens? Had je die? Werk je daaraan? Of is dat in deze drie weken alweer vervaagd? Goede voornemens hebben vaak betrekking op de privésfeer. Of heb je ook werkgerelateerde voornemens, persoonlijk of misschien zelfs als team?

Zelf doe ik niet aan voornemens. “Ik ben voornemens dat te doen,” klinkt namelijk niet alsof het ook echt gaat gebeuren. Voor mij klinkt het alsof je zegt “Ik heb eraan gedacht en ik weet dat het eigenlijk belangrijk is, maar waarschijnlijk gaat het me niet lukken er werkelijk iets mee te doen.”

Niet echt daadkrachtig. De ouder uit het eerste voorbeeld en de leerkracht uit het tweede voorbeeld druipen teleurgesteld af of gaan volledig door het lint. Kortom: voornemens zetten geen zoden aan de dijk. Dat komt door het woord ‘eigenlijk’ in de bovenbeschreven interpretatie. ‘Eigenlijk belangrijk’ is net zo veel als ‘Blijkbaar belangrijk voor iemand anders, maar ik voel dat niet zo.’ Tja, en dan gaat het dus inderdaad niet lukken.

Even een opsomming van ‘eigenlijk belangrijke dingen’ die ik in de praktijk ben tegengekomen.

“Het is eigenlijk belangrijk dat we
– weten hoe ouders werkelijk over onze school denken;
– het binnen het team eens hebben over ‘wie we zijn’ en ‘wat we doen’;
– de uitstraling van onze school een beetje opfrissen;
– ons functiebouwwerk eens goed onder de loep nemen.”

“Ja, dat is eigenlijk wel belangrijk.” (Let ook op het woord ‘wel’.) Of vind je het wérkelijk belangrijk? Omdat je merkt dat het beter kan, omdat je leerlingenaantal terugloopt, omdat teamvergaderingen langzaamaan zijn verworden tot een verplichte zit zonder resultaat…..

‘Echt belangrijk’ heeft te maken met gevoel en behoefte aan actie. ‘Eigenlijk belangrijk’ duidt meer op algemene opinie, sociaal wenselijkheid gecombineerd met een vleugje desinteresse. Concreet zie je het terug in al die onderwerpen die vorig jaar al onaangeroerd op je takenlijst stonden en ook nu weer een plaatsje hebben gekregen op je opgeschoonde overzicht 2011. Check maar! Ze staan daar, je komt ze steeds weer tegen, maar toch pak je ze niet echt aan. Tijd om daar iets mee te doen! Breng in kaart wat het nut en de noodzaak is van deze taken. Waarom staan ze eigenlijk op je to-do-list? Zijn ze écht belangrijk? Waarom en voor wie? Als je dat in kaart hebt, kun je bepalen of je er mee aan het werk gaat of dat je het definitief naast je neer legt. Dat geeft ruimte voor zaken die er werkelijk toe doen.

Goed voornemen…

Webcolums

Elke 3e dinsdag van de maand schrijf ik een webcolumn over samenwerken, werkplekleren en/of professionaliseren in het onderwijs. Hoogste tijd om ze via dit medium te delen. Ook mijn functiemix-tips (elke 1e dinsdag van de maand gratis in je mailbox) zullen geplaatst worden op deze website.

Schrijf je in
voor de webcolumns: http://www.LERENenORGANISEREN.nl/gratis.htm
voor de functiemix-tips: http://www.functiemix-PO.nl/inschrijven.htm