Het Verhaal

(webcolumn 2012-12)

De klas is donker, op de lichtjes van de kerstboom na. Bij binnenkomst staan de kerstliedjes aan. Door de hele school hangen knutsels van ballen, slingers en bomen. Kinderen bereiden zich voor op de kerstviering met uitzicht op een vakantie van 2 weken.

Bomen, ballen, slingers en een “Ho, Ho, Ho” van de kerstman. Maar welke plaats heeft Het Verhaal? Het Verhaal? Ja, Het Kerstverhaal; de reden dat we vieren, dat we al weken aan het knutselen zijn, dat bijna iedereen zomaar twee dagen tot twee weken vrij heeft.

Weten kinderen eigenlijk wát er gevierd wordt? Wat Het Verhaal is achter deze vrolijkheid? Voor scholen met een Christelijke grondslag zal het antwoord volmondig ‘ja’ zijn. Maar voor andere scholen? Hoe staat het er daar voor?

Ik was eens op een school waar tijdens de hele kerstviering (gezellig samenzijn) het kindje Jezus geen enkele rol speelde. Noch Maria, Jozef, herders, koningen of zelfs maar een ezel. Het Verhaal leek vergeten door de feestelijkheid. Of genegeerd. Iedereen maakt zijn eigen keuzes, maar ik was hierover verbaasd en verontwaardigd.

Wat vier je als je de aanleiding of reden van het feest – al dan niet bewust – uit het oog verliest? Deze inhoudelijke reflectie kun je verder doorvoeren dan Kerst en een niet-religieuze wending geven. Straks is het 2013. Vol goede moed wordt de tweede helft van het schooljaar ingezet. Ik wil je dat nieuwe jaar insturen met de volgende vragen:
Wat is Het Verhaal achter jullie school?
Vanuit welke basis werken jullie?
Heb je daar zicht op?
Kunnen jullie dat gezamenlijk vertellen?
En hoe is dat te zien in jullie onderwijs?
Of ben je meer bezig met zaken die er mee te maken hebben, maar ga je voorbij aan de kern?

Wat onderwijs je als je de aanleiding of reden van jullie onderwijs – al dan niet bewust – uit het oog verliest? Ik wens voor 2013 dat het lukt om Jullie Verhaal, de grondgedachte van de school, zichtbaar te maken en te houden in jullie onderwijs. Maak er een mooi jaar van!

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Gedicht
In het kader van de kerst is onderstaand gedicht religieus op te vatten. Los daarvan mag het ook na de jaarwisseling een prominente plek in de teamkamer. Om bespreekbaar te houden waar het jullie als school om gaat. Het gedicht staat niet toevallig in de ‘we-vorm’.

Het Verhaal
Dat ons leidt
Als gids bij wat we doen

Gezamenlijk vertellend
In woord en gedrag
Het maakt ons sterk
Het maakt ons één

Het Verhaal
Dat ons leidt
Als gids bij wat we doen.

JKK20121218

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Gezamenlijk een verhaal creëren of opfrissen? De missie en visie van de school afstoffen, opstellen of bijstellen? Breed draagvlak en zichtbaarheid in het dagelijks onderwijs? Een duidelijk verhaal naar ouders en leerlingen? Maak een goede (door)start in 2013!
Vraag vrijblijvend naar de mogelijkheden: info@LERENenORGANISEREN.nl

++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Advertenties

LA-LB, een helder verschil

(2012FMT-10)

Ook dit schooljaar zijn er weer leerkrachten begonnen als LB-er. Ik heb mijn oor op verschillende scholen te luisteren gelegd en de ervaringen zijn divers en soms ook zorgwekkend. Op een relatief eenvoudige vraag als  ‘Wat is het verschil tussen LA en LB?’ hebben de antwoorden (nog steeds) veelal te maken met opleiding, werkervaring en zichtbaarheid:

LB-ers zijn leerkrachten die
–          hier al het langste werken;
–          een opleiding hebben gedaan;
–          een streepje voor hebben bij de directeur;
–          het hardst roepen;
–          …

Weinig antwoorden gaan over de verwachtingen die LB-ers waar moeten maken; de meerwaarde voor collega’s en school (zie 2011FMT-12). Voor leerkrachten die vanuit bovenstaande antwoorden naar de functiemix kijken, is het vaak ook niet duidelijk waarom die functiemix er überhaupt is. Er is soms zelfs wrevel: “Ik doe toch ook goed mijn werk!”

De tip van vandaag is om het verschil tussen LA en LB (weer eens) te expliciteren. Een mooi instrument daarvoor is de functieomschrijving van leerkrachten. Iedereen heeft er een, weinigen zijn zich daarvan bewust. Voor wie het even niet meer paraat heeft, vat ik het in deze functiemix-tips kort samen (zie verder de gratis brochure bij inschrijving voor deze functiemix-tips).

Een onderwijsfunctie wordt beschreven op 14 kenmerken. Deze zijn verdeeld in 4 onderdelen:  werkzaamheden (5), kader, bevoegdheden & verantwoordelijkheid (5), kennis & vaardigheden (2) en contacten (2). Elk van de kenmerken wordt gescoord met een cijfer van 1 tot 5 waarbij de complexiteit oploopt. Een functie met overwegend 1-en is dus een eenvoudige functie zonder echte verantwoordelijkheden en zeggenschap. Functies met overwegend 5-en zijn zware beleidsbepalende functies met grote verantwoordelijkheden die verder gaan dan eigen school(bestuur).  Het rijtje van 14 cijfers bij elkaar, wordt het scoreprofiel genoemd.

Aan het scoreprofiel kun je zien wat er verwacht wordt binnen een functie.
Een LA-leerkracht heeft scoreprofiel: 33333 33333 33 33
Een LB-leerkracht heeft scoreprofiel: 43343 43333 43 33
(Het puntentotaal van het scoreprofiel bepaalt de salarisschaal.)

In het scoreprofiel is te zien dat de LB-functie op 4 kenmerken afwijkt van de LA-functie. Het gaat om kenmerk 1, 4, 6 en 11.

kenmerk 1, aard van de werkzaamheden
score 3: gangbare zaken en problemen, waarbij eigen interpretatie is vereist en oplossingen moeten worden aangedragen.
score 4: aard van de werkzaamheden: minder gangbare of nieuwe taken en problemen waarbij na analyse, oplossingen in samenhang en geïntegreerd worden ontwikkeld.

kenmerk 4, aanpak van de werkzaamheden
score 3: inspelen op  nog niet eerder voorgekomen situaties, waarbij uit bekende oplossingen moet worden gekozen.
score 4: inspelen op nog niet eerder voorgekomen situaties waarbij zelf alternatieve benaderingen moeten worden gezocht.

kenmerk 6, keuzevrijheid
score 3: vrijheid om – op basis van interpretatie van gegevens – consequenties van te kiezen oplossingen tegen elkaar af te wegen.
score 4: vrijheid om  – na analyse – benaderingen of alternatieven af te stemmen op gewijzigde of zich wijzigende omstandigheden.

kenmerk 11, kennis
score 3: algemeen theoretische, praktisch gerichte kennis en ervaring van het vakgebied (…)
score 4: brede of gespecialiseerde theoretische kennis van het vakgebied (…)

Het is nu een mooi moment om bovenstaande op te nemen in een teamvergadering. Het schooljaar is weer op dreef en we zitten nog niet in de decemberdrukte. Bovendien kun je, als je het nu bespreekt, daar nog bijna het hele schooljaar profijt van hebben. Zelf gebruik ik een Functiemix-Quizzz om deze wellicht ‘saaie materie’ op een interactieve manier te brengen. Voor menig leerkracht werkt het als een eye-opener.

Twee basisvragen die niet mogen ontbreken, geef ik je hierbij cadeau:

1)      Is een LB-leerkracht BETER dan een LA-leerkracht?
Nee, een LA-leerkracht is een leerkracht die met verstand van zaken en hart voor de leerlingen goed onderwijs geeft met alle facetten van dien. De wet BIO beschrijft hiervoor de benodigde kwaliteiten. Van een LB-leerkracht wordt dit ook verwacht. Daarnaast heeft hij inhoudelijke organisatiebrede taken en verantwoordelijkheden die ten goede komen aan de hele school.

2)      Doet een LB-leerkracht MEER dan een LA-leerkracht?
Nee, een LB-leerkracht doet anders. Om ervoor te zorgen dat een LB-leerkracht ook zijn/haar werk binnen de daarvoor beschikbare tijd kan doen, is het aan het management om te bepalen welke taken werkelijk van belang zijn voor de kwaliteit van jullie onderwijs. Er zullen serieuze keuzes gemaakt moeten worden op basis van jullie onderwijsvisie.

Het formele verschil tussen een LA- en LB-leerkracht voor alle betrokkenen helder krijgen, is een voorwaardelijke activiteit. Een gesprek over de specifieke invulling voor de school en waar je het verschil tussen LA en LB concreet kunt zien, is een vervolgstap die niet mag ontbreken. In de volgende functiemix-tips daarover meer ideeën.  Succes!

Drs. J. (Joke) Kiewiet-Kester

Onderwijsspecialist Kwaliteit & Personeel
Gecertificeerd functiewaardeerder voor onderwijs- en overheidsfuncties.

contact@functiemix-PO.nl
www.functiemix-PO.nl

ZIN!

 (webcolumn 2012-08)

 
Mijn 2 kinderen zijn deze week weer begonnen met school. De oudste in groep 7, de jongste in groep 3.
De jongste had er zin in. Al een paar dagen vroeg hij “Mama, is het vandaag een schooldag?”. Hij was dan teleugesteld dat hij nog niet mocht. Het zwembad in de tuin was ook fijn, maar hij wilde zo graag. Naar school!
 
Immers, in groep 3 begint ‘het echte werk’. Dat werd hem ook steeds verteld als iemand aan hem vroeg “Naar welke groep ga je nu? ” “Drie al, dan ga je echt leren rekenen en lezen.” Nou, en dat wil hij dus graag. Een nieuwe juf, dat was nog wel een beetje spannend, maar het woog niet op tegen de uitdaging van het willen leren. Een kus voor mama kon er de eerste schoolochtend nog net van af. “Ja, doei.”
 
Hoe anders bij de oudste. De overstap van groep 6 naar 7 is toch een beetje meer van hetzelfde. Op de vraag “Heb je weer zin om naar school te gaan?” antwoordde ze “Nee” of “een beetje” al naar gelang ze haar vrager tevreden wilde stellen. Mijn dochter doet het goed op school, heeft er geen hekel aan, maar zin… nee.
Ik vroeg me af waar dit verschil in zit en zie ook overeenkomsten met leerkrachten.
 
Zin hebben in school, om er te leren of om er te werken, heeft uiteraard te maken met persoonlijke aspecten. Deze zijn over het algemeen moeilijk te beïnvloeden. Er even vanuitgaande dat je ‘zin’ wilt beïnvloeden, omdat je het een belangrijk onderdeel vindt van leren en werk, kun je dus beter naar andere factoren kijken.
 
‘Ergens zin in hebben’, heeft – zo naar mijn kinderen gekeken – te maken met 1) nieuw, maar niet té spannend en 2) uitdagend, maar niet té moeilijk. ‘Zin in’ is dus te koppelen aan ‘zinvol’. Bekende dingen doen die niet uitdagend zijn, is soms best lekker. Het geeft je echter niet de drive om er echt voor te gaan. Aan de andere kant werkt té nieuw en té uitdagend ook weinig motiverend.
 
Dan nu de stap naar de eigen leerkrachten.
Wie zei de eerste dag in de teamkamer “Ik heb er zin in.”? En wie zei (of dacht) “Nou oké, daar gaan we weer.”?
En wat wil dat zeggen voor komend schooljaar?
 
In mijn ogen is er geen zinvoller beroep dan leerkracht. Je draagt als leerkracht essentieel bij aan het verdere leven van zo’n 25 tot 30 individuen die zich nog aan het vormen zijn. Als je daar geen zin in hebt, of de zin er niet van inziet, dan is er werk aan de winkel.
 
Je hoort wel een zeggen “zin kun je maken”. Dat betwijfel ik. Of je ergens zin in hebt, is een gevoel. Dat kun je hebben of krijgen, maar niet maken. Wel kun je iets zo zinvol maken dat je er weer zin in krijgt. En dat lijkt me een mooie uitdaging voor het nieuwe schooljaar: om de enthousiaste leerkrachten enthousiast te houden en de andere groep de zin in en van het vak weer te laten ervaren.
 

Citeertitel: Kiewiet-Kester, J. (2012). Zin! webcolumn 2012/08.

Over geld, inhoud en kwaliteit

(webcolumn 2012-04)

Ik maak me – net als een groot deel van Nederland – zorgen. Het kabinet is gevallen. De komende maanden lijken gevuld te worden met partijbelang en stemmentrekkerij. Even leek het erop dat er ondertussen niets zou worden ondernomen, maar het tegendeel bleek waar. In ijltempo werd er een een akkoord gesloten. Hoe doordacht kan dat zijn?  Volgens mij zei Rutte trouwens dat ‘nu niets doen’ 18 miljoen per dag zou kosten. (De bedragen die genoemd worden zijn zo onvoorstelbaar, dat het best een nul meer of minder kan zijn. Pin me er niet op vast.) Ik vraag me dan af, aan wie wordt dat betaald? En wat gaat die er dan mee doen? Waarmee heeft diegene dat verdiend?

Het klinkt misschien naïef, maar het gaat wel terug naar de basis: Geld is een ruilmiddel. Van middel is het een doel geworden. En daar is het fout gegaan. Ondertussen gaat het nergens anders meer over. Maar, terug naar de essentie, geld is er toch voor bedoeld om ervoor te zorgen dat jullie, mijn opdrachtgevers, mij  niet concreet van levensmiddelen en enige luxe hoeven te voorzien?! Omdat jullie zelf geen hagelslag en hardloopschoenen maken, krijg ik geld zodat ik dat in de winkel daarvoor kan ruilen. Geld is een ruilmiddel.

Als je het vanuit dat perspectief bekijkt, zijn problemen op te lossen. Het is dan bijvoorbeeld echt vreemd dat er mensen zijn die zich niet bezwaard voelen dat zij bij ontslag voor meer dan 20.000 keer luxe weekboodschappen meekrijgen. Dat is voldoende voor zo’n 400 jaar, terwijl andere blij zijn als ze in hun levensbehoeften kunnen voorzien. Er wordt oneerlijk geruild. Als mensen daar nou eens over zouden nadenken, en naar handelen…..

Waarom dit betoog in een onderwijswebcolumn? Eigenlijk omdat ik me écht zorgen maak en tegelijkertijd machteloos voel. De blik lijkt uitsluitend gericht op geld. Kwaliteit en inhoud lijken er niet toe te doen, zijn ondergeschikt. En dan raak je dus direct het onderwijs. Daar gaat het bij uitstek over kwaliteit en inhoud. Wat leren we onze kinderen door hieraan voorbij te gaan? Wat levert het het onderwijs?

In de afgelopen tijd zijn er verschillende wetsvoorstellen langsgekomen, die het onderwijs volgens mij echt schaden. Misschien is dat een voordeel van het vallen van het kabinet: Dat proeven met prestatiebeloning (geld!), het buurtontwrichtende idee van excellente scholen en de hervormingen rond passend onderwijs mogelijk niet doorgaan.

Hoog tijd om ons weer te richten op inhoud en kwaliteit met geld als ruilmiddel. Als we wereldwijd zo doorgaan als nu, zijn we op ramkoers. Zoals de Titanic 100 jaar geleden. Ik hoorde een onderzoeker daarover zoiets zeggen als: “Dit verhaal blijft actueel. Kijk naar de huidige situatie. We varen een kant op waarvan we merken dat het niet de goede is. Dat het op een ramp uitloopt. Toch doen we niets omdat er een selecte groep is die van deze koers profiteert. De grote massa gaat er echter aan ten onder.” Ik vind dat een mooie en tegelijkertijd verbijsterende vergelijking. Wie heeft voldoende lef en zeggenschap om het roer werkelijk om te gooien?

Naschrift
Dit betoog is niet geschreven vanuit een politieke kleur. Het gaat om eerlijk en oprecht. Hoe die begrippen worden geoperationaliseerd is per politieke richting anders. Aan de hand van argumenten kan dat een plaats krijgen in discussie en debat. Welke waarde er aan verschillende prestaties en goederen worden gegeven, kan verschillen. Maar het moet wel reëel en te verantwoorden zijn. Als ik in de krant op de ene bladzijde lees over crisis en miljoenenbezuinigingen die vele mensen hard zullen treffen. En een paar pagina’s later iets over een bonus van een vertrekkende topman of een transfer van een voetballer met vele nullen… Tja, dan voel ik verontwaardiging, verbazing, Boos, moedeloos, machteloos.

En dat laatste heeft me ertoe aangezet deze column te schrijven. Volgende maand weer directe onderwijsinhoud. Maar nu moest ik dit echt even met jullie delen.

ONDERWIJS IN SOUNDBITES

(webcolumn 2012/03)

Koppen in de krant bepalen de teneur van de algemene opinie. Ze zijn per definitie kort (en dus onvolledig) en pakkend (en daarmee vaak provocerend). Immers, je moet uitgedaagd worden verder te lezen. Alles is marketing. Als het niet lekker bekt, is het geen nieuws. Soudbites heten die hapklare zogenaamde nieuwsberichten, heb ik inmiddels begrepen. En je kunt er lekker met 140 tekens tegenaan twitteren.

Hoe meer ik er op let, hoe meer ik me er aan erger. Me er ook over verbaas. Kijk, ik snap dat in bijvoorbeeld een krantenkop geen plek is voor een lange zin met toelichtende en nuancerende bijvoeglijk naamwoorden. Maar het probleem is, dat veel mensen helemaal niet verder lezen. Ze scrollen. Letterlijk op het schermpje van de mobiel, maar eigenlijk ook in een papieren versie. Er is zoveel nieuws en zo weinig tijd…. Alleen de kop van het bericht wordt gelezen en onthouden.

De kop ís dus het nieuws. Juist omdat die zo kort en krachtig is. Zo weten we bijvoorbeeld dat ‘Basisscholen het geld niet waard zijn’ (zie webcolumn 2012-01) en ‘een kwart van de studenten van Windesheim ondermaats’ is. Na lezing van dit laatste bericht (O, hoort er ook nog een bericht bij dan?), bleek dat het gaat om een kwart van de eindwerkstukken van studenten journalistiek na 2009 waarvoor geen voldoende is gescoord. En dat is dus echt iets anders dan de kop suggereert. Maar het merendeel van de lezers zal dit nooit weten. Dus heb je ineens iets uit te leggen als je bijvoorbeeld op de Windesheim-PABO zit. En oja ‘Ouders, help je kind niet met rekenen’.

Een berichtenkop is niet alleen onvolledig, ongenuanceerd en eventueel provocerend, hij is soms ook gewoon onjuist. Als je geluk hebt en je neemt de tijd om verder te lezen, krijg je in het bijbehorende bericht een beschrijving van de werkelijkheid. Maar, ongeacht welke krant of berichtenbox je leest, dat is zeker niet gegarandeerd. Je komt een hoop ‘klokken en klepels’ tegen, ook met betrekking tot het onderwijs.

En waarom maak ik me daar druk om? Omdat het mensen te kort doet. Het doet júllie te kort en het onderwijs in het algemeen. Dat is namelijk complexer dan wat je kunt uitdrukken in 5 dikgedrukte woorden of 140 tekens. Het gaat om beeldvorming van je eigen werkomgeving. Ik vind dat je daar iets mee moet als onderwijsprofessional. Neem niet alles aan voor zoete koek.

Reageer. Niet vanuit emotie, maar vanuit een kritische houding. Vraag je af wat er werkelijk speelt en waar de nuances liggen. Kijk verder dan de kop en het bericht. Klik eens door naar de werkelijke bron bijvoorbeeld. Lees het achterliggende onderzoeksverslag en vorm vervolgens je eigen mening. Beschouw argumenten, leg zelf verbanden en blijf op de hoogte van ontwikkelingen. Versterk jezelf en ga in gesprek met collega’s, ouders en leerlingen. Het komt je onderwijs én het onderwijs ten goede. 

Zo, en nu nog even een lekkere titel voor deze webcolumn bedenken, anders lees je ‘m niet…..

 

Citeertitel: Kiewiet-Kester, J. (2012). Onderwijs in soundbites, webcolumn 2012/03. Internet: www.LERENenORGANISEREN.nl

Professionaliseren met korting, wat houdt je tegen?

De DIJK zingt: Later is nu

 
Waar wil je op wachten? Tot je wat zeker weet?
Alsof dat bestaat en zekerheid geeft
Is niet elke seconde een mogelijk uur U?
Waarom nog wachten? Waarom niet nu?
 
Wat houdt je tegen? Wat maakt je bang?
Dat wikken en wegen, je blijft aan de gang
Je aarzelt nog even en wat heb je dan?
Dan is alles weer anders en het komt er niet van. Later bestaat niet
Je weet hoe dat gaat
Later, dat gaat niet
Later is te laat   Dus doe hoe je zelf wilt en neem je besluit
Denk je het te weten kom ervoor uit
Laat ze niet raden naar wat je bedoelt
Laat ze het weten: hoe jij het voelt Later bestaat niet
Je weet hoe dat gaat
Later, dat gaat niet
Later is te laat   Is niet elke seconde
Een mogelijk uur U?
Later bestaat niet
Later is nu

 
De Dijk verwoordt het prachtig in het lied Later is Nu: Waar wil je op wachten, tot je wat zeker weet?
Als toetje na de feestmaand januari (ik ben 40 geworden en mijn bedrijf bestaat 5 jaar) , krijg je 10% korting als je via onderstaande zinnen een mail stuurt.
 
Neem contact op om jullie school een boost te geven. Zeker in onzekere tijden is dat de moeite meer dan waard.

Als ik je een mail stuur, zit ik er dan meteen aan vast?
– Nee,  natuurlijk niet. Er wordt contact met je opgenomen en vervolgens bekijken we of en hoe we samen verder gaan.

 Mail dus bijvoorbeeld:
of
of
of
of
of
of
 
Dus: Waarom nog wachten? Waarom niet nu?
Neem contact op via bovenstaande voorbeeldzinnen en professionaliseer met korting!
  

Ouders overrulen de onderwijsinspectie

( webcolumn 2012/01 )

Het kan je niet ontgaan zijn. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft onderzocht of ‘we waar voor ons belastinggeld krijgen’. Belastinggeld is van ons allemaal, zo is de gedachte, en we willen graag weten of dat wel goed gebruikt wordt. De ‘return on investment’ (wat leveren de investeringen op) is bekeken voor 6 sectoren en het basisonderwijs kwam er inzichtelijk slecht vanaf. Waarom inzichtelijk slecht? Niet omdat de onderzoeksgegevens echt helderheid geven. Daarover straks meer. Nee, omdat het basisonderwijs bovenaan in een grafiekje stond en in de kranten als enige zo’n opvallend rood blokje aan de negatieve kant van de as had gekregen. (In het oorspronkelijke rapport trouwens gewoon objectief oranje overeenkomstig de andere sectoren.) Kort door de bocht: 3,8 % meer besteed, -0,3% winst. Logisch dat iedereen in rep en roer is. Want klopt dit wel?! Emotionele reacties genoeg,  maar dat zet geen zoden aan de dijk. Laten we, tegen de t ijdsgeest in, eens echt in het onderzoek duiken en de argumentatie bekijken.

‘Prijs en kwaliteit van publieke diensten’ is de ondertitel van het rapport. Over de prijs is weinig discussie. Die is gestegen, dat blijkt uit financiële cijfers en dat weet ook iedereen. Bij verantwoording daarvoor wordt onder andere gewezen op het bijtrekken van de onderwijssalarissen en de verkleining van de klassen. De kosten voor ‘het product’ staan dus wel vast. Maar wat is ‘het product’? Letterlijk staat op pagina 39 dat de productie van het basisonderwijs wordt gemeten via het aantal gewogen leerlingen.

Even voor de kritische lezer onder ons: Wordt ‘het aantal gewogen leerlingen’ genomen als uitgangspunt, of ‘het gewogen aantal’? Of is dat hetzelfde en waarom zou je dat dan noemen? Als je zo onzorgvuldig je basisgegevens verklaard, wat zegt dat dan voor de rest van het onderzoek en daaruit volgende conclusies?

De discussie die naar aanleiding van het rapport is ontstaan is eenvoudigweg terug te voeren naar een onderscheid tussen kwaliteit en kwantiteit. Het is namelijk opvallend dat het in de ondertitel gaat over kwaliteit, terwijl de gepubliceerde schema’s (en bijbehorende ophef) dus die afname in productie, de kwantiteit beschouwen. De prijs-kwaliteit verhouding van het onderwijs is het doel van het onderzoek. “Onderwijs is niet te vergelijken met het bedrijfsleven,” las ik in één van de vele reacties. Maar één overeenkomst tussen een school en een productiebedrijf is in ieder geval dat aantallen niets zeggen over de kwaliteit: meer is niet per definitie beter.

Wederom blijkt dat kwaliteit van onderwijs moeilijk meetbaar is. Ik heb er al vaker op gewezen en ook dit onderzoek maakt dat duidelijk. De onderzoekers zeggen het zelf. Ze sluiten er hun samenvatting mee af: ” Kwaliteit is een complex begrip dat zich niet altijd in harde cijfers laat vatten. Over de objectieve kwaliteit van veel publieke diensten zijn onvoldoende gegevens voor handen. Daarover ondervraagde gebruikers en andere burgers bespeuren in elk geval weinig of geen verbetering van de kwaliteit. Soms is die naar hun indruk gedaald. Maar hun impressies, hoe belangrijk ook, geven niet noodzakelijk een juist beeld van feitelijke ontwikkelingen.” (p.18)

Het niveau van leerlingen op de basisvakken, met welke letters je dat ook meet (CITO, JPON, PPON) is niet de enige indicator voor onderwijskwaliteit. Er was het idee dat de SCP de CITO-scores als kwaliteitsmeting hadden gebruikt. Op pagina 34 van het rapport wordt het gebruik van de CITO-gegevens echter expliciet tegengesproken. Dat die indruk wel gewekt is, is trouwens geheel te wijten aan de onderzoekers. De CITO-scores (niet representatieve toetsen, volgens de onderzoekers zelf) hebben zowel in de samenvatting als in de conclusie een opvallend prominente plek. Hierdoor waren niet ingewijden (lees: media) en haastige lezer (waaronder in eerste instantie ook ikzelf) snel op het verkeerde been gebracht. Dit gaf de nodige ophef. Immers, kwaliteit van onderwijs is zoveel meer dan een bundeling van deze contextgebonden momentopnames.

Hoe onderwijskwaliteit wel te meten is, daarover buigt de onderwijsinspectie zich al jaren. Ze hebben een standaard opgesteld en proberen hun kaders steeds meer te verbeteren door onder andere studiedagen en jaarwerkplannen. Vorig jaar gaf ik een lezing op een studiedag voor onderwijsinspecteurs en heb het toen van dichtbij meegemaakt. De cijfers die de onderwijsinspectie  regelmatig publiceert zijn trouwens positief. Volgens deze cijfers is er wel degelijk verbetering van onderwijskwaliteit. Dat ontkennen de SCP-onderzoekers ook niet. Maar dan doen ze iets raars.

Het meest opvallend en verrassend van het hele rapport is de waarde die aan de mening van ouders wordt toegekend. Hoe dieper ik in het rapport dook, hoe  meer opvallendheden ik tegen kwam. Bovenstaand heb ik er een paar met je gedeeld. Maar dit slaat alles: Doorslaggevend is, ondanks de opmerking over de beperkte bruikbaarheid zoals eerder geciteerd, de afnemende waardering van ouders voor het onderwijs. Alarmbellen, sirenes, vraagtekens: HOEZO?!

Met de opmerking “De oudertevredenheid neemt tussen 2002 en 2010 af” rechtvaardigen de onderzoekers de conclusie dat de kwaliteit van onderwijs niet verbeterd is. Immers “tegenover de betere beoordeling door de inspectie staat een dalende waardering van de ouders” zo wordt er gesteld in de conclusie op pagina 54.  Dat de daling van de oudertevredenheid marginaal is en wellicht met niet-schoolgebonden factoren is te verklaren (tijdsgeest, opleidingsniveau, aanwezigheid in de school, media-aandacht….) wordt gemakshalve buiten beschouwing gelaten.

Ouders overrulen de onderwijsinspectie. De conclusies uit het SCP-onderzoek zijn erop gebaseerd dat oudertevredenheid een minstens zo sterke indicator voor onderwijskwaliteit is als de ondervindingen van de onderwijsinspectie. Dat vind ik opvallend en het bespreken waard. Het is een goede aanleiding voor het verbeteren van oudercontact en dat ondersteun ik van harte en met verve. Maar of dit ‘klant is koning’-principe mag leiden tot het afserveren van het basisonderwijs zoals afgelopen week in de media, daarover ga ik graag met je in discussie.