Wat een LB-er moet kennen en kunnen

(Functiemixtips 2012-02)

Tijdens sollicitatierondes is de aandacht voor de LB-leerkracht het groots. Maar hoe gaat dat in de rest van het schooljaar? Is de beoogde meerwaarde ook werkelijk te realiseren? In de vorige functiemix-tips (2011FMT-12) heb ik beschreven hoe je die meewaarde inzichtelijk kunt maken. Dit keer bekijken we het vanuit een andere hoek. De vraag is “Wat is er nodig om LB-leerkrachten van meerwaarde te (kunnen) laten zijn?” Eigenlijk is het antwoord hierop kort en bondig: bekwaamheid en gelegenheid. De bekwaamheid is een persoonsgebonden factor, de gelegenheid een organisatiegebonden factor. Zoals zo vaak, gaat ook hier achter een kort antwoord een redelijke complexiteit schuil. Vandaar dat ik vandaag de eerste factor bekijk en in de volgende functiemix-tips inga op de tweede.

Er is vastgesteld dat een LB-leerkracht op HBO+-niveau moet functioneren. Wat dat precies is, weet echter niemand. Het geeft een vage indicatie van het niveau, maar zegt inhoudelijk weinig. Daarbij, wat een LB-leerkracht bij jullie op school moet kennen en kunnen om van meerwaarde te zijn, is allereerst afhankelijk van de schoolspecifieke wensen. Met oog waarop is of wordt de LB-er benoemd? Welke meerwaarde wordt verwacht? In het ideale geval (helaas niet overal in de praktijk, een aandachtspunt!) is dat concreet afgesproken en ligt het vast in een soort taakomschrijving. Of er is een specifieke functiebeschrijving geformuleerd.  Dit laatste is met name interessant voor grotere besturen met meerdere leerkrachten met eenzelfde expertisegebied.

Voor scholen die (nog) geen specifiek taak- of functieomschrijving hebben, geef ik graag 7 kerncompetenties zoals die geformuleerd zijn door de Masteropleiding Leren & innoveren van Interactum, lesplaats MarnixAcademie Utrecht. De master-leraar die daar opgeleid wordt, kan een school werkelijk verder helpen in haar ontwikkeling. De onderstaand genoemde competenties geven een leidraad van wat je mag verwachten van een LB-leerkracht in het basisonderwijs. Ze geven een invulling aan het begrip HBO+-niveau die ook voor LB-ers zonder master-opleiding leidend kan zijn.

De master-leraar:

  • initieert onderwijsontwikkeling op basis van inhoudelijk gezag (zowel in het eigen primair proces als bij collega’s en op schoolniveau) en begeleidt collega’s daarin;
  • initieert de ontwikkeling van de professionele identiteit voor zichzelf, voor collega’s en op schoolniveau;
  • werkt op een transparante en systematische wijze aan onderwijsontwikkelingsprojecten (resultaatgericht, lange en korte termijn verbindend);
  • ontwikkelt zijn referentiekader op blijvende wijze onder andere door het onderhouden en zoeken van netwerken, het bijwonen van conferenties en het bestuderen van literatuur;
  • draagt bij aan de ontwikkeling van de body of knowledge van de beroepsgroep (bijvoorbeeld door publicaties, door workshops of door colleges);
  • heeft een onderzoekende houding, waarin integratie van kennis binnen specifieke contexten tot nieuwe vragen leidt;
  • verantwoordt zijn handelen, zowel qua resultaten, methodisch, inhoudelijk als procesmatig en communiceert daarover met relevante doelgroepen van binnen en buiten de eigen schoolorganisatie.

Voor iedere  LB-functie kun je op alle competenties aangeven waarin dit binnen de eigen school zichtbaar moet worden, dus wat je precies van de leerkracht verwacht. De verwachte kennis en vaardigheden gaan dus hand in hand met de gewenste meerwaarde en de daarvan afgeleide taken. En zo heb je met deze bekwaamheidseisen een mooie praatplaat om de beoogde toegevoegde waarde van de LB-leerkracht te expliciteren en te gebruiken als basis voor de nog te formuleren taakomschrijving.

_______________________________________________

Wat houdt je tegen, tot je wat zeker weet? Klik hier en lees onder het fantastische lied van De Dijk hoe je kunt professionaliseren met korting. Waarom nog wachten, waarom niet nu?

_______________________________________________

Professionaliseren met korting, wat houdt je tegen?

De DIJK zingt: Later is nu

 
Waar wil je op wachten? Tot je wat zeker weet?
Alsof dat bestaat en zekerheid geeft
Is niet elke seconde een mogelijk uur U?
Waarom nog wachten? Waarom niet nu?
 
Wat houdt je tegen? Wat maakt je bang?
Dat wikken en wegen, je blijft aan de gang
Je aarzelt nog even en wat heb je dan?
Dan is alles weer anders en het komt er niet van. Later bestaat niet
Je weet hoe dat gaat
Later, dat gaat niet
Later is te laat   Dus doe hoe je zelf wilt en neem je besluit
Denk je het te weten kom ervoor uit
Laat ze niet raden naar wat je bedoelt
Laat ze het weten: hoe jij het voelt Later bestaat niet
Je weet hoe dat gaat
Later, dat gaat niet
Later is te laat   Is niet elke seconde
Een mogelijk uur U?
Later bestaat niet
Later is nu

 
De Dijk verwoordt het prachtig in het lied Later is Nu: Waar wil je op wachten, tot je wat zeker weet?
Als toetje na de feestmaand januari (ik ben 40 geworden en mijn bedrijf bestaat 5 jaar) , krijg je 10% korting als je via onderstaande zinnen een mail stuurt.
 
Neem contact op om jullie school een boost te geven. Zeker in onzekere tijden is dat de moeite meer dan waard.

Als ik je een mail stuur, zit ik er dan meteen aan vast?
– Nee,  natuurlijk niet. Er wordt contact met je opgenomen en vervolgens bekijken we of en hoe we samen verder gaan.

 Mail dus bijvoorbeeld:
of
of
of
of
of
of
 
Dus: Waarom nog wachten? Waarom niet nu?
Neem contact op via bovenstaande voorbeeldzinnen en professionaliseer met korting!
  

Ouders overrulen de onderwijsinspectie

( webcolumn 2012/01 )

Het kan je niet ontgaan zijn. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) heeft onderzocht of ‘we waar voor ons belastinggeld krijgen’. Belastinggeld is van ons allemaal, zo is de gedachte, en we willen graag weten of dat wel goed gebruikt wordt. De ‘return on investment’ (wat leveren de investeringen op) is bekeken voor 6 sectoren en het basisonderwijs kwam er inzichtelijk slecht vanaf. Waarom inzichtelijk slecht? Niet omdat de onderzoeksgegevens echt helderheid geven. Daarover straks meer. Nee, omdat het basisonderwijs bovenaan in een grafiekje stond en in de kranten als enige zo’n opvallend rood blokje aan de negatieve kant van de as had gekregen. (In het oorspronkelijke rapport trouwens gewoon objectief oranje overeenkomstig de andere sectoren.) Kort door de bocht: 3,8 % meer besteed, -0,3% winst. Logisch dat iedereen in rep en roer is. Want klopt dit wel?! Emotionele reacties genoeg,  maar dat zet geen zoden aan de dijk. Laten we, tegen de t ijdsgeest in, eens echt in het onderzoek duiken en de argumentatie bekijken.

‘Prijs en kwaliteit van publieke diensten’ is de ondertitel van het rapport. Over de prijs is weinig discussie. Die is gestegen, dat blijkt uit financiële cijfers en dat weet ook iedereen. Bij verantwoording daarvoor wordt onder andere gewezen op het bijtrekken van de onderwijssalarissen en de verkleining van de klassen. De kosten voor ‘het product’ staan dus wel vast. Maar wat is ‘het product’? Letterlijk staat op pagina 39 dat de productie van het basisonderwijs wordt gemeten via het aantal gewogen leerlingen.

Even voor de kritische lezer onder ons: Wordt ‘het aantal gewogen leerlingen’ genomen als uitgangspunt, of ‘het gewogen aantal’? Of is dat hetzelfde en waarom zou je dat dan noemen? Als je zo onzorgvuldig je basisgegevens verklaard, wat zegt dat dan voor de rest van het onderzoek en daaruit volgende conclusies?

De discussie die naar aanleiding van het rapport is ontstaan is eenvoudigweg terug te voeren naar een onderscheid tussen kwaliteit en kwantiteit. Het is namelijk opvallend dat het in de ondertitel gaat over kwaliteit, terwijl de gepubliceerde schema’s (en bijbehorende ophef) dus die afname in productie, de kwantiteit beschouwen. De prijs-kwaliteit verhouding van het onderwijs is het doel van het onderzoek. “Onderwijs is niet te vergelijken met het bedrijfsleven,” las ik in één van de vele reacties. Maar één overeenkomst tussen een school en een productiebedrijf is in ieder geval dat aantallen niets zeggen over de kwaliteit: meer is niet per definitie beter.

Wederom blijkt dat kwaliteit van onderwijs moeilijk meetbaar is. Ik heb er al vaker op gewezen en ook dit onderzoek maakt dat duidelijk. De onderzoekers zeggen het zelf. Ze sluiten er hun samenvatting mee af: ” Kwaliteit is een complex begrip dat zich niet altijd in harde cijfers laat vatten. Over de objectieve kwaliteit van veel publieke diensten zijn onvoldoende gegevens voor handen. Daarover ondervraagde gebruikers en andere burgers bespeuren in elk geval weinig of geen verbetering van de kwaliteit. Soms is die naar hun indruk gedaald. Maar hun impressies, hoe belangrijk ook, geven niet noodzakelijk een juist beeld van feitelijke ontwikkelingen.” (p.18)

Het niveau van leerlingen op de basisvakken, met welke letters je dat ook meet (CITO, JPON, PPON) is niet de enige indicator voor onderwijskwaliteit. Er was het idee dat de SCP de CITO-scores als kwaliteitsmeting hadden gebruikt. Op pagina 34 van het rapport wordt het gebruik van de CITO-gegevens echter expliciet tegengesproken. Dat die indruk wel gewekt is, is trouwens geheel te wijten aan de onderzoekers. De CITO-scores (niet representatieve toetsen, volgens de onderzoekers zelf) hebben zowel in de samenvatting als in de conclusie een opvallend prominente plek. Hierdoor waren niet ingewijden (lees: media) en haastige lezer (waaronder in eerste instantie ook ikzelf) snel op het verkeerde been gebracht. Dit gaf de nodige ophef. Immers, kwaliteit van onderwijs is zoveel meer dan een bundeling van deze contextgebonden momentopnames.

Hoe onderwijskwaliteit wel te meten is, daarover buigt de onderwijsinspectie zich al jaren. Ze hebben een standaard opgesteld en proberen hun kaders steeds meer te verbeteren door onder andere studiedagen en jaarwerkplannen. Vorig jaar gaf ik een lezing op een studiedag voor onderwijsinspecteurs en heb het toen van dichtbij meegemaakt. De cijfers die de onderwijsinspectie  regelmatig publiceert zijn trouwens positief. Volgens deze cijfers is er wel degelijk verbetering van onderwijskwaliteit. Dat ontkennen de SCP-onderzoekers ook niet. Maar dan doen ze iets raars.

Het meest opvallend en verrassend van het hele rapport is de waarde die aan de mening van ouders wordt toegekend. Hoe dieper ik in het rapport dook, hoe  meer opvallendheden ik tegen kwam. Bovenstaand heb ik er een paar met je gedeeld. Maar dit slaat alles: Doorslaggevend is, ondanks de opmerking over de beperkte bruikbaarheid zoals eerder geciteerd, de afnemende waardering van ouders voor het onderwijs. Alarmbellen, sirenes, vraagtekens: HOEZO?!

Met de opmerking “De oudertevredenheid neemt tussen 2002 en 2010 af” rechtvaardigen de onderzoekers de conclusie dat de kwaliteit van onderwijs niet verbeterd is. Immers “tegenover de betere beoordeling door de inspectie staat een dalende waardering van de ouders” zo wordt er gesteld in de conclusie op pagina 54.  Dat de daling van de oudertevredenheid marginaal is en wellicht met niet-schoolgebonden factoren is te verklaren (tijdsgeest, opleidingsniveau, aanwezigheid in de school, media-aandacht….) wordt gemakshalve buiten beschouwing gelaten.

Ouders overrulen de onderwijsinspectie. De conclusies uit het SCP-onderzoek zijn erop gebaseerd dat oudertevredenheid een minstens zo sterke indicator voor onderwijskwaliteit is als de ondervindingen van de onderwijsinspectie. Dat vind ik opvallend en het bespreken waard. Het is een goede aanleiding voor het verbeteren van oudercontact en dat ondersteun ik van harte en met verve. Maar of dit ‘klant is koning’-principe mag leiden tot het afserveren van het basisonderwijs zoals afgelopen week in de media, daarover ga ik graag met je in discussie.

De toegevoegde waarde van LB-ers

(functiemix-tips 2011-12) 

Inmiddels bevat elk schoolteam wel één of meerdere LB-leerkrachten. De vraag is nu of deze collega’s de meerwaarde leveren die vanuit de regeling beoogd is. Zijn ze van toegevoegde waarde?
‘Toegevoegde waarde’ betekent een positieve bijdrage die geleverd wordt. Dit gaat dan niet om de verplichte aantallen die afgesproken zijn. Bij het beschouwen van de invoering van de functiemix, wil ik naast deze aantallen met name inzoomen op de inhoud. Immers, daar gaat het toch om?!

Welke positieve bijdragen leveren de LB-leerkrachten momenteel? Wanneer je dat binnen je eigen organisatie in kaart brengt, levert dat een goede basis voor toekomstige ontwikkelingen en benoemingen. Maar hoe doe je dat?

Gebruik indicatoren, aspecten waarin de toegevoegde waarde van de LB-leerkrachten naar voren komen. Twee belangrijke zijn deze:

1) Collega’s maken gebruik van kennis en kunde van de LB-leerkracht;
2) De school maakt gebruik van beleidsmatige en organisatorische bijdragen van de LB-leerkracht.

 Het valt je misschien op dat beide zinnen niet met ‘De LB-leerkracht’ beginnen. Dat is bewust. Het gaat – in tegenstelling tot de meeste berichtgeving – namelijk helemaal niet om de LB-leerkracht zelf. Het gaat om het profijt dat anderen van zijn of haar werkzaamheden hebben. LB heeft een grote dienstverlenende factor.

Wanneer je weet op welke gebieden je de toegevoegde waarde van LB-leerkrachten wilt bekijken (de indicatoren), schept het helderheid om het ook meetbaar te maken. In bovenstaande gevallen kun je bijvoorbeeld vragen: Door wie? Wanneer? Hoe vaak? Waarover? Met welk resultaat?. Ik raad je aan om wat tijd te reserveren om dit goed in kaart te (laten) brengen. Pak het dusdanig gestructureerd aan, dat je er echt gevolgen aan kunt verbinden. De antwoorden op genoemde vragen vergelijk je met dat wat jullie beogen en zie daar, een helder beeld op basis waarvan je conclusies kunt trekken.

 

Collega’s maken gebruik van kennis en kunde van LB-leerkracht?
  Gewenste situatie* Huidige situatie** Conclusies
Door wie?      
Wanneer?      
Hoe vaak?      
Waarover?      
Met welk resultaat?      
       
       

* De gewenste situatie is op managementniveau vast gelegd. Idealiter na overleg met team.
**  De huidige situatie wordt (onderzoeksmatig) in kaart gebracht in gesprek met betrokkenen of door middel van bijvoorbeeld een enquête.

De gegevens uit de vorige stap geven je inzicht in de huidige stand van zaken. Als je concludeert dat de huidige situatie overeen komt met de gewenste situatie, zit je op de goede weg ben. Als er een gat zit tussen de huidige en gewenste situatie, kijk dan nog een laagje verder. 

Je kunt hierbij vragen stellen op het gebied van structuur en organisatie. Zoals bijvoorbeeld:
-Weten collega’s wie welke specialiteit heeft?
-Heeft de LB-leerkracht tijd en/of gelegenheid tot ondersteuning van collega’s?

 Zo ook op het gebied van cultuur en competenties. Bijvoorbeeld:
– Beschikt LB-leerkracht over benodigde kennis en vaardigheden?
– Heeft LB-leerkracht coachende, kennisdelende en open houding naar collega’s?
– Hebben collega’s vragende open houding naar LB-leerkracht?

Aan de hand van de antwoorden is een verbeterplan mogelijk. Dat kan soms op een eenvoudig manier. Wanneer bijvoorbeeld blijkt dat collega’s niet weten wie welke specialiteit heeft, denk dan eens aan een (digitale) map waarin staat wie wanneer waarvoor te raadplegen is. Of reserveer standaard 10 minuten tijdens een bouw- of teamvergadering.

Op deze manier kun je LB-leerkrachten inzetten zoals ze bedoeld zijn: met toegevoegde waarde. Dat is fijn voor de collega’s en de school. Minstens zo fijn is het voor de LB-leerkracht zelf. En het geeft houvast voor toekomstig (aanname)beleid.

 

Open deur

(Webcolumn 2009 – 04)

Oorspronkelijk wilde ik deze column beginnen met de titel ‘ouders zijn eigenlijk ook gewoon mensen’. Maar dat is zo’n open deur, dat ik dat maar bovenaan heb gezet.

Een open deur. Maar toch lijkt het alsof (beginnende) leerkrachten en directies het nogal eens vergeten.

Als mens is het fijn dat je je welkom voelt, dat er naar je geluisterd wordt en dat je ook naar de ander kunt luisteren. Gedag zeggen, aanspreekbaar zijn, open communicatie, horen en gehoord worden. Eigenlijk een gewoon gesprek op basis van wederzijds respect.

“Natuurlijk, natuurlijk”, hoor ik je bijna denken, maar waarom….

Waarom zijn 10-minutengesprekken dan vaak ongemakkelijke eenzijdige verslagen vanuit de leerkracht?
Waarom beperken de inhoudelijke gesprekken met ouders zich sowieso vaak tot die 10-minutengesprekken?
Waarom mogen ouders alleen op vaste tijden even in de school komen en moeten ze verder bij het hek wachten?
Waarom kruipt een leerkracht achter haar bureau op het moment dat er wel ouders in de klas zijn?
Waarom sluiten zoveel directeuren zich op in hun kamertje?
Waarom vinden we kritische ouders lastig en gaan we meteen in de verdediging?

Ja, waarom zetten we de deur niet écht open? Waarom laten we ouders niet écht binnen, in de school, in de klas, in onszelf?

 Misschien zeg je “nou, dat doe ik wel”. En misschien is dat ook zo. Dat is fijn! Dan merk je dat het resulteert in een open relatie met ouders. Soms moet je je grenzen aangeven, maar over het algemeen worden die grotendeels gerespecteerd.

Helaas gebeurt het bij veel scholen niet. Niet op schoolniveau of niet op leerkrachtniveau. En dan is het zaak hier iets aan te doen. Zorg dat je – beleidsmatig of in het kader van je POP – iets doet aan deze angst.

 Angst? Hoezo angst?

Angst is volgens mij het antwoord op al de eerder beschreven waarom-vragen. Angst voor ouders. Angst dat ze je niet respecteren, dat ze over je  heen walsen, je niet goed vinden. Angst voor een confrontatie, angst voor het afleggen van verantwoording.

Misschien is het gebaseerd op ervaring, misschien juist op onervarenheid, maar uiteindelijk belemmert het je in het uitoefenen van je beroep en het neerzetten van je school. Wat je uitstraalt, roep je op. Door je eigen houding schrik je ouders af. Zorg je ervoor dat ze wachten met een gesprek tot er écht iets aan de hand is. En dan is het meestal niet zo’n leuk gesprek. Of ze komen helemaal niet bij je , maar uiten hun frustratie bij het hek of bij de sportclub. Daar gaat je goede naam……

Je kunt nog zo goed je werk doen, het beste in leerlingen naar boven willen halen. Vele overuren maken met het nakijken van werk, het maken van extra lesstof of het organiseren van leuke activiteiten. Als je relatie met ouders niet optimaal is, is minstens de helft van je inzet verspilde moeite. En dat is zó zonde!

Dus bedenk je dat ouders ook gewoon mensen zijn. Ze slapen, zien er niet uit als ze wakker worden, en moeten regelmatig naar de wc. Verder willen ze gewoon het allerbeste voor datgene wat hen het allerliefste is. En jij kunt ze daarbij helpen. Betrek ze, praat met ze. Zet de deur open en ga erbij staan om deze ouders hartelijk welkom te heten.

Gezin BV: ouders als samenwerkende organisatie

(Webcolumn 2009-02)

Nog niet zo heel lang geleden werd je op scholen niet vriendelijk aangekeken wanneer je ouders tot klant bestempelde. Het was te afstandelijk, te zakelijk. Inmiddels zie je die term echter overal verschijnen. En ik denk dat je er een eind mee kunt komen. ‘Klant’ impliceert namelijk een zekere afhankelijkheid. Zonder klanten geen winkel, zonder ouders geen leerlingen dus geen school.

Toch geeft de vergelijking ‘ouders als klant’ een probleem. Immers, het onderwijs wordt gegeven aan de leerlingen. Ouders zijn geen directe afnemer, maar vaak wel zeer betrokken. Er is sprake van een lastige constructie die ‘ouder als klant’ mank laat gaan. Maar daar heb ik een oplossing voor. Zie ouders samen met hun kind(eren) als een samenwerkende organisatie: Gezin BV.

Iedereen die zelf een gezin heeft, weet dat het een hele organisatie is om alles en iedereen op elkaar af te stemmen. Er wordt ook wel eens gezegd dat moeders over de meeste managementkwaliteiten beschikken. Of dat zo is laat ik even in het midden. (Wel interessant voor opleidingen die met EVC’s werken….). Feit is, dat het gezin een organisatie is waar je als school mee te maken hebt. En dan is het wel zo fijn als je ervoor zorgt dat het een – voor beide partijen – waardevolle samenwerking is.

Bij samenwerking tussen organisaties gaat het er als eerste om wat je elkaar te bieden hebt. Welke toegevoegde waarde heeft de school voor Gezin BV? Dan heb je het over goed onderwijs. Missie, visie, doelen en deze communiceren. Weten wat je te bieden hebt en daar duidelijk in zijn. Geen loze beloften doen. De geschepte verwachtingen waarmaken.

En wat heeft Gezin BV de school te bieden? Het kind, de leerling!En gratis en voor niets krijg je de ouders(s) erbij. Profiteer hiervan! Deze ouders hebben namelijk drie belangrijke eigenschappen.

Ten eerste kennen ze hun eigen kind(eren) goed, hebben het zich zien ontwikkelen, ook toen er nog geen school was die zich daarmee bezig hield. Misschien herkennen ze zichzelf in hun kind. Ouders zijn zo een belangrijke informatiebron. Tenminste, als je dat op een goede manier weet te activeren.

Ten tweede kunnen ouders ook aan het onderwijsproces bijdragen door hun eigen kennis en kunde in te zetten. In het leerlingendossier blijkt een verborgen schat aan inzetbaarheid verstopt. Een native English vader, een zeer muzikale moeder, de organisatie-adviseur….

Last but not least zijn ouders het visitekaartje van de school. Ouders vertellen hun ervaringen bij het KDV, de peuterspeelzaal en de sportvereniging. Een ‘onverklaarbare’ terugval in het leerlingenaantal blijkt hier maar al te vaak aan gerelateerd. Investeren in contact met ouders zet de school weer op de kaart. Maar daarvoor moet je wel vertrouwen bieden, betrouwbaar zijn. Betrokkenheid tonen en weten waar je voor staat. Alle aspecten van institutionele samenwerking zijn zo te vertalen naar de samenwerking tussen Gezin BV en school. Verhoudingen worden hiermee inzichtelijk gemaakt en kunnen verbeterd worden.

Kortom: Als je – letterlijk of figuurlijk – ziek wordt van die lastige ouders, als je na je 10-minuten gesprekken weer zo’n onbevredigend gevoel hebt, als je school langzaamaan leeg dreigt te lopen, als je er even helemaal geen zin meer in hebt, denk dan aan Gezin BV. Zie ouders als een samenwerkende organisatie en besef dat je het tij kunt keren.

Vertrouwen en Betrouwbaarheid

(Webcolum 2009-01)

Vertrouwen en betrouwbaarheid kun je opvatten als de belangrijkste basis voor samenwerken. Het is allesbepalend en tegelijk ongrijpbaar. Zie deze column als een poging tot concretisering.

 Op vertrouwen kun je bouwen.

 Een pakkende one-liner, en geheel waar. Immers, wil je samen iets bereiken dan moet je van elkaar op aan kunnen. Je moet weten wat je aan elkaar hebt. Het gebruik van het woord ‘bouwen’ is in die zin ook toepasselijk omdat je vertrouwen kunt beschrijven als het fundament voor een goede samenwerking. Dat is verder leuk uit te werken en te voorzien van een fijne cartoonachtige illustratie. Dat laat ik echter aan je eigen verbeelding over. Ik wil verder. Vertrouwen komt namelijk nooit alleen en zeker niet zomaar.

 Vertrouwen is als een boemerang, wat je geeft, krijg je terug.

 Vertrouwen geven, betekent dat je zelf betrouwbaar moet zijn. Vertrouwen en betrouwbaarheid gaan in die zin hand in hand. Een opmerking als ‘Je vertrouwt me niet’ zegt dan ook vaak meer over de spreker dan over de toegesprokene. Je kunt je afvragen waar dit gebrek aan vertrouwen vandaan komt. Straal je vertrouwen uit? Geloof je in je eigen betrouwbaarheid? Kom je je afspraken na? Kun je dingen die je toezegt ook waarmaken? Binnen de tijd die je daarvoor hebt aangegeven?

En hoe zit het met die ander? Vertrouwt hij je inderdaad niet, of geeft hij je alleen dat gevoel? Is het gebaseerd op ervaringen met anderen? En hoe kun jij daarmee verder?

Hoe lastig het ook is, wanneer een samenwerking niet optimaal verloopt, moet je bovenstaande vragen zien te beantwoorden. Voor jezelf, maar – en dat is pas echt moeilijk – ook met elkaar. Vertrouwen krijg  je namelijk niet cadeau. Je moet het opbouwen en verdienen.

Vertrouwen is wederzijds en wederkerig.

 “Hé Betrouwbaarheid, jij ook hier?”

“Ja tuurlijk Vertrouwen, waar jij bent, kun je mij ook vinden. Tenminste, meestal. Soms ben ik even weg. Maar het valt me op, dat als ik er niet ben, jij ook snel je spullen pakt.”

Zomaar een gesprekje tussen Vertrouwen en Betrouwbaarheid op de gang van een willekeurige organisatie. Het gaat verder:

“Weet je Betrouwbaarheid, het klopt volledig wat je zegt. Als jij er niet bent, ik jou niet kan zien of voelen, voel ik me niet meer op mijn plaats. Ik trek me steeds verder terug, totdat ik volledig verdwenen ben. En zal ik je nog iets vertellen? Als ik dan eenmaal weg ben, vind ik het zo moeilijk om weer terug te komen. Het lukt me gewoon niet. Zolang ik er ben, gaat het prima. Maar ik houd constant alles in de gaten. Ben ik hier wel op mijn plaats? Maken ze geen misbruik van me? En als jij er bent, dan heb ik dat gevoel niet. Dan klopt het gewoon.”

Vertrouwen praat verder: “Ik merk ook dat we samen veel meer voor elkaar krijgen. Ik heb zelfs gehoord dat als we er allebei niet zijn, alles in de soep loopt. Ik wil ons niet teveel credits geven, maar als wij er niet zijn, schijnen mensen hele gekke dingen te doen. Ze maken misbruik van elkaar, praten niet meer met elkaar, gaan hun eigen weg. En dat terwijl ze elkaar vaak zo hard nodig hebben. Ik snap er niets van.”

“Ja, ja, ik weet precies wat je bedoelt,” zucht Betrouwbaarheid. “Het is maar goed dat we er zijn. Kopje koffie?”