Meetbaarheid

 (webcolumn 2011-12)

Hoe voel je je? – Nou, 5,3
Vind je dat je je voldoende kunt ontwikkelen? 7,1
Hoe ervaar je de werkdruk? 4,8

Er is iets engs aan de hand: De veronderstelling dat alles meetbaar is met cijfers. Ik heb al eerder aangegeven dat ik niets tegen opbrengstgericht onderwijs heb (webcolumn 2011-05). In tegendeel: als je geen opbrengst wil, hoeven kinderen ook niet naar school.

Waar het om gaat is wélke opbrengst je wilt. Gaat het je om cijfers of gaat het om meer? En wat zeggen die cijfers? Mijn dochter had op een gegeven moment op haar rapport (echt waar, groep 3!) een 7- voor gym. Wat zegt mij dat als ouder? Deed ze bokspringen 8, voetballen 6 en ringzwaaien 6½ ? Zo ook een 8+ voor muziek. Conclusie: ze kan beter muziek maken dan gymmen?!

Natuurlijk heb ik dat toen aan de juf gevraagd. “Nee,” was het antwoord. “Maar ze doet met muziek zo leuk mee.” Oké, leuk meedoen met muziek is dus een 8+ waard. En bij gym doet ze dat dus niet? “Jawel,” zei de juf, “maar die cijfers worden gegeven door de gymjuf.” Uhu, en dus? Hoe dan?

……. Een moeizame stilte was hoorbaar vanachter het bureau. (Ik weet het zeker, deze leerkracht vond mij een lastige ouder, maar dat terzijde.)

Wat mij bijzonder verontrust is dat die cijfers als afrekenmiddel gelden. Vorige week las ik in de krant met betrekking tot VO-scholen: “In 2015 moeten de examencijfers voor Nederlands, Engels en Wiskunde met tweetiende punt omhoog, net als het gemiddelde cijfer voor de beste VWO-ers” (Volkskrant 16-12-2011, p. 9).

Voor PO gaat het met al die toetsverplichtingen dezelfde kant op. Maar wat zegt dat over het inhoudelijke onderwijs? Over de vaardigheden die kinderen meekrijgen opdat ze zich later in de grote-mensen-wereld staande kunnen houden? Sterker nog, om te leven vanuit een sterke basis voor zichzelf en in relatie tot anderen? Helemaal niets!

Is dat wat we willen voor de huidige generatie? Denk aan de mensen in de bankenwereld en het topbestuurswezen, verantwoordelijk voor de huidige crises en ondertussen min of meer op dezelfde voet verder gaand. (Zelfde krant: “bonussen op topniveau weer groeiend.”) Deze mensen kunnen heel goed rekenen. Haalden wellicht het gemiddelde cijfer van de beste VWO-ers lekker omhoog. Maar het is toch overduidelijk dat er ergens in hun ontwikkelproces hiaten zitten. Daar wil je vanuit het onderwijs toch niet aan meewerken?

Meetbaarheid is mooi: Je kunt laten zien welke resultaten je wilt en of je dat hebt gehaald. Maar bedenk wel wát je wil meten en (moeilijk!) welke cijfers daartoe inzicht geven. Vervolgens zorg je – in tegenstelling tot het beschreven praktijkvoorbeeld – voor een eenduidige meting. Op basis van die gegevens kun je dan conclusies trekken voor de toekomst.

Dit cijferverhaal geldt trouwens niet alleen op leerlingniveau. Het is een grote uitdaging om kwaliteit en ontwikkeling van personeel  meetbaar te maken. Zeker als dat idiote idee van prestatiebeloning doorgang vindt, wordt dat van groot belang. (zie ook webcolumn 2011-03). De basisvraag is: Met welke cijfers kunnen we de kwaliteit van leerkrachten in kaart brengen? Trap niet in de valkuil om dat direct af te leiden aan de cijferlijst van de leerlingen!

Citeertitel: Kiewiet-Kester, J. (2011). Meetbaarheid, webcolumn 2011/12. Internet: www.LERENenORGANISEREN.nl/webcolumn.htm

Geïntegreerd geheel: 5x aanhaken bij bestaande documenten

(FUNCTIEMIX-tips 2011-11)

De invoering van de functiemix in het basisonderwijs vordert gestaag. Landelijke cijfers zijn daarover beschikbaar gesteld. Achter die cijfers zit op schoolniveau toch nog wel wat onduidelijkheid, onvrede en onwelwillendheid.In gesprek met leerkrachten probeer ik in korte tijd de vinger op de zere plek te leggen. Veelal komt het erop neer dat teamleden weerstand voelen. Niet eens zozeer tegen ‘het hele LA/LB-verhaal’ maar eigenlijk voornamelijk tegen het feit dat er weer iets nieuws opgedrongen wordt. “En daar houden we niet van.”

Maar is het wel zoveel nieuws? In de FUNCTIEMIX-tips van vandaag: de verbinding met ‘oude documenten’. Immers, de functiemix is niet ‘uit de lucht komen vallen’. Niet ‘iets nieuws dat opgedrongen wordt’, maar bijna een logisch gevolg van de voortdurende wens tot verhoging van onderwijskwaliteit. Vandaag zet ik de functiemix in dat perspectief.

1. aanhaken bij DE MISSIE & VISIE

Veel scholen hebben geïnvesteerd in het verwoorden van de missie en visie van de school. Hieraan zijn verschillende teamvergaderingen besteed en er is veel schrijfwerk gedaan. Het resultaat: een mooi document, wellicht full-color gedrukt, pakkende slogan op de voorkant. En dan? De functiemix is een goede reden om het document erbij te halen en, indien nodig, af te stoffen. Immers in dit document staat beschreven wat de school voor ogen heeft, waar het zich sterk voor maakt en welke profilering eventueel gekozen is. Het geeft een leidraad voor de te creëren functieruimte.

2. aanhaken bij HET SCHOOLPLAN

In het schoolplan dat iedere school dient te hebben, is in kaart gebracht hoe de huidige situatie is en welke veranderingen/ontwikkelingen er beoogd zijn. Naast de  missie en visie geeft dit document heel helder aan wat de ontwikkel- en speerpunten zijn van de school. Op deze gebieden is de komende jaren extra input nodig. Werk aan de winkel voor LB-leerkrachten?!

3. aanhaken bij DE FUNCTIEBESCHRIJVING

Hoeveel van jullie leerkrachten kent de eigen functieomschrijving? Als ik het op scholen vraag is het percentage steevast laag. Toch is de functiebeschrijving de leidraad voor de verwachtingen over en verantwoordelijkheden van de leerkracht. Een leidraad ook voor functionerings- en beoordelingsgesprekken. Tip: ga met het team eens op zoek naar de verschillen in beschrijving tussen de LA- en LB-leerkracht. Dat maakt een hoop duidelijk!

4. aanhaken bij DE WET BIO

Ja, en dan natuurlijk de 7 bekwaamheden van de leerkracht uit de wet BIO. Competenties die een minimumniveau van kwaliteit garanderen. Er wordt wel eens gezegd dat een ‘gewone leerkracht’ (LA) geen goede leerkracht is. “Anders zou hij wel LB worden.” Met de wet BIO kun je dat keihard tegenspreken. Iedere leerkracht een professional. Juist óók de LA-leerkracht.

5. aanhaken bij  HET PERSOONLIJK ONTWIKKELPLAN

Tot slot het persoonlijk ontwikkelplan. Ook die kan uit de kast! Vol enthousiasme (nou ja…) zijn we enkele jaren geleden begonnen met het schrijven van persoonlijke ontwikkelplannen, de zogenaamde POP’s.  Soms wordt er gekozen voor een andere lettercombinatie, maar de intentie blijft hetzelfde. Een goed streven, maar bij weinig scholen komt het echt van de grond. En dat is zonde omdat het een mooie gelegenheid biedt om ontwikkelwensen van de leerkracht te combineren met de ontwikkelmogelijkheden binnen de school. Als leerkracht kun je bijvoorbeeld heel inzichtelijk maken hoe je wilt doorgroeien naar een LB-functie.

 

Door expliciet aan te haken bij bestaande documenten en regelingen, maak je bij het team inzichtelijk hoe de functiemix volgt uit het streven om werken in het onderwijs (nog) leuker en beter te maken. Dit is voor velen een eyeopener en biedt handvatten voor een goed inhoudelijk gesprek hierover. Succes!

HOOR WIE KLOPT DAAR, KINDEREN…

“Sint Nicolaas, Sint Nicolaas, brengt ons vandaag weer ee-een bezoek….”  Nog een dikke week sinterklaasliedjes, dan het grote feest. ’s Middags alles opruimen en vervolgens de kerstbomen in de klas. Zo snel kan het gaan…. En dan is het 2012!

 2012 wordt het jaar van de gedegen aanpak. Januari is een mooie maand om te beginnen met het in kaart brengen of opfrissen van de visie van de school.

-Wat willen we eigenlijk?

-Waartoe zijn we aan het werk?

-Weten nieuwe leerkrachten dit ook?

-Handelen we ernaar?

….

Als dat bepaald is, wordt – afhankelijk van de behoefte – een intern of extern spoor gevolgd.

Het interne spoor is gericht op kwaliteit binnen de school. Er is aandacht voor de professionaliteit van organisatie en leerkrachten, onderlinge samenwerking, aanwezige competenties en hoe die kunnen worden ingezet, de invulling van de functiemix.

Het externe spoor is gericht op de relatie van de school met ouders en omgeving. Er is aandacht voor het imago, de communicatie met ouders en eventueel teruglopend leerlingaantal wordt bekeken en tegengegaan.

Uiteraard wordt de invulling van het begeleidingstraject aangepast aan de behoefte van de school.

De inschrijving voor begeleidingstrajecten in 2012 is open. Wees er tijdig bij!

Meer informatie: info@LERENenORGANISEREN.nl

 

Waar een wil is, is een weg

 (Webcolumn 2011/09)

“Waar een wil is, is een weg”, zo wordt er vaak gesteld. Of “als je iets echt graag wilt, lukt het ook”. Ahum! Dat klinkt wel erg makkelijk. Alsof je zelf de enige bepalende factor zou zijn. Nou, er zijn  natuurlijk wel meer variabelen die bepalen of iets lukt of kan. Zo spelen overheid (vandaag Prinsjesdag!) , ouders en ontwikkelingen in de buurt bijvoorbeeld een grote rol. En daar lijk je vaak zelf weinig invloed op te hebben.

Toch ben ik het stiekem wel eens met het gezegde. Niet in de afrekenden sfeer van, als iets niet gelukt is, dat iemand dan zegt: “Dan wilde je het niet graag genoeg.” Dat lijkt te veel op het doen van een wens: Ogen strak dicht knijpen en denken ‘ik wil het, ik wil het’. Nee, dat is te passief. Daar maken we geen kwalitatief goed onderwijs mee.

Zoals ik het zie is ‘de wil’ die ten grondslag ligt aan ‘de weg’, actief. Het heeft te maken met een gezamenlijk willen. Een concretiseerbaar willen ook. En dat is duidelijk iets anders dan wensen. Het betekent eigenlijk zoiets als “Als je weet wat je wilt (‘de wil’), dan kun je daar naar werken (‘de weg’)”. Dit komt aardig overeen met de ideeën achter de Balanced ScoreCard van Kaplan en Norton.

De Balanced ScoreCard is ontwikkeld om organisaties te helpen bij het plannen en managen, het maken van strategische keuzes. Op zich is het niet wereldschokkend, maar het brengt de boel duidelijk en eenvoudig in kaart. Het gaat ervan uit dat een organisatie visie en strategie bepaalt in wisselwerking met 4 perspectieven: Financieel, Klant, Interne organisatieprocessen en Ontwikkeling & groei. Voor elk van de perspectieven geef je een concrete beschrijving van de onderwerpen waar je goed in moet/wil zijn. Dit heten de kritische succesfactoren. Vervolgens geef je daar waardes aan die je wilt behalen, de zogenaamde prestatie-indicatoren. Zo worden meetbare doelen geformuleerd die sturend zijn voor de dagelijkse gang van zaken. Wie bedenkt dat dit instrument in de jaren 90 van de vorige eeuw al ‘hot’ was, kan zich afvragen waarom Opbrengstgericht Onderwijs nu pas (en met de nodige weerstand) een aandachtspunt is. Maar dat terzijde.

Het bepalen van de prestatie-indicatoren is het lastigste stuk uit dit verhaal. Immers, niet alles is zomaar inzichtelijk meetbaar te maken. Dat is ook het struikelblok voor Opbrengstgericht Onderwijs. Ik schreef hierover al mijn webcolumn van mei 2011. Maar vandaag hadden we het over het willen. In Balanced Scorecard-taal gaat het dan over de kritische succesfactoren.  

– Klantperspectief: Welke verwachtingen wil je bij ouders en kinderen scheppen en waarmaken? Wat wil je dat ouders over je zeggen als ze op het sportveld staan? Hoe wil je dat leerlingen zich je herinneren als ze naar het voortgezet onderwijs zijn?

– Financieel perspectief: Hoe wil je de financiële zaken regelen, welke keuzes wil je maken?

– Perspectief van interne processen: Hoe wil je onderwijs geven? Hoe wil je de groepen verdelen? Wil je klassikaal of andersoortig onderwijs? Wat wil je doen voor niet-gemiddelde leerlingen? Hoe wil je expertise inzetten?

– Perspectief van ontwikkeling en groei: Waarin wil je goed worden of blijven? Hoe wil je dat bewerkstelligen? Hoe wil  je kennis delen?

Dit zijn, even uit de losse pols, een paar voorbeeldvragen. De ‘je’ kan daarbij zowel gelden voor een leerkracht, een manager als voor het team en de school. ‘Waar een wil is, is een weg’. Een gezamenlijk wil op bovenstaande punten is in grote mate bepalend voor het succes en de kwaliteit van jullie school.

Citeertitel: Kiewiet-Kester, J. (2011). Waar een wil is…, webcolumn 2011/09. Internet: www.IedereLeerkrachtEenProfessional.nl

 

2012 WORDT HET JAAR! Reserveer nu een visietraject en zet je school (weer) op de kaart! info@LERENenORGANISEREN.nl

Weerstand!

(webcolumn 2011-05)

Ik ontkom er niet aan. Als je webcolumns schrijft over kwaliteit van onderwijs, móet je het een keer hebben over opbrengstgericht onderwijs. Sinds de term ‘in de lucht is’, merk ik bij mezelf – en vele anderen uit het onderwijsveld – weerstand. En eigenlijk is dat vreemd. Dat ga ik toelichten vanuit mijn eigen situatie.

Ruim 5 jaar geleden richtte ik mijn bedrijf op en gaf het de naam 3D-L&O: doelbewust, doelgericht & doeltreffend leren en organiseren. Meer opbrengstgericht dan dat kun je niet zijn, lijkt me. En toch is er die weerstand. Met het idee dat, als ik daar een vinger achter kan krijgen, ik misschien ook zicht krijg op de weerstand van anderen, ben ik dat eens nader gaan bekijken. Dit heb ik gevonden en misschien herken je jezelf (of collega’s) erin.

De weerstand zit NIET in het willen behalen van opbrengst. Immers, als je geen opbrengsten wil, waarom moeten kinderen dan naar school? Wat is dan het nut van leerplicht? Eigenlijk zou opbrengstgericht onderwijs een open deur moeten zijn. Een pleonasme als de professionele leerkracht. Mijn weerstand bleek gericht op twee andere gebieden.

 I)  De enge gerichtheid op taal en rekenen. Eng in de zin van ‘smal’. Onderwijs aan leerlingen is meer dan taal en rekenen. Je wilt het kind als geheel vormen en stimuleren. Ten minste, zo kijk ik er tegenaan. De smalle gerichtheid op taal en rekenen vind ik daarmee ook echt een beetje eng (brrrr). Ik snap die aandacht voor taal en rekenen wel. Het zijn natuurlijk twee hele belangrijke vakken en scores zijn door middel van toetsen vrij eenvoudig inzichtelijk te maken. Maar toch…. er is meer in het leven…

II)  De meetbaarheid van opbrengst. Opbrengst impliceert een actie tussen een begin- en eindsituatie. Door te kijken naar de eindsituatie wil men bepalen wat de invloed is van die actie op de beginsituatie: de opbrengst. Dat is dus nogal complex. Hoe kun je vaststellen wie of wat de opbrengst heeft gegenereerd? Eenduidige antwoorden zijn moeilijk te geven. Zijn alle variabelen in beeld? Worden verbanden goed gelegd? Onderzoekstechnisch gaat het om validiteit en betrouwbaarheid: Meet je de goede dingen en meet je de dingen goed? Als je conclusies verbindt aan je meetgegevens, moet je heel zeker weten wie of wat verantwoordelijk is voor de opbrengst. Kun je aan de hand van de leerresultaten van leerlingen bijvoorbeeld iets zeggen over de toegevoegde waarde van de leerkracht? Dat is een discussie waard.

Kortom, ik ben er achter gekomen dat ik geen weerstand heb tegen opbrengstgericht werken op zich. In tegendeel zelfs. Mijn weerstand wordt met name gevoed door de grote onzekerheid van meetgegevens en de conclusies die ondanks dat toch gewoon getrokken worden. Herken je dat?

En hoe maken we dan van dit probleem een uitdaging ;-)?